Doorgaan naar content
bouwer

Ferdinand August Homolka

*1828 , Velvary      †1890 , Praag

De eretitel “Stradivari van Praag” verwierf Ferdinand August Homolka al tijdens zijn leven. Hij bezat de vakbekwaamheid om nauwgezette kopieën te bouwen van enkele oude meesters, waaronder ‘zijn’ meesterwerk, een viool van Stradivari uit 1717. Om deze vakbekwaamheid te bereiken, legde hij een jarenlange leerweg af langs bouwers in diverse steden in het toen nog Habsburgse rijk. Wenen als centrum van pracht en macht verruilde hij voor Praag waar de nieuwe culturele identiteit van de Tsjechen ontstond.

Ferdinand August Vincenz Homolka werd geboren in 1828 in Velvary, een dorp op zo’n 25 km ten noorden van Praag. Hij was de oudste zoon van Emanuel Adam Homolka (1796–1849). De familie Homolka was uitgebreid en telde veel vioolbouwers in en rond Praag.
Werkplaats(en)
Praag, ±1848-1890

Erfenis van Caspar Strnad

Ferdinands vader was vioolbouwer en had sinds 1809 een eigen werkplaats in Velvary. Ook hij had het vak van zijn vader geleerd en was na omzwervingen in en rond Praag weer teruggekeerd naar Velvary waar hij geboren was. Hij was veruit de meest getalenteerde bouwer die zijn leermeester en vermaarde vioolbouwer Caspar Strnad in Praag had voortgebracht. Strnad had school gemaakt met een eigen versie van de Italiaanse vioolbouw traditie. Bij hem was Ferdinands vader op zijn 12e in de leer gegaan en er 14 jaar gebleven tot hij uiteindelijk in Velvary een eigen zaak kon beginnen.

Ferdinands vader was niet de eerste vioolbouwer van de familie. Naast Eberle en Elias Placht waren František Homolka (1778–1861) en zijn nakomelingen belangrijke figuren geweest in de vioolbouw van Tsjechië. Zij waren beïnvloed door Italiaanse en Oostenrijkse (Habsburgse) scholen, in het bijzonder door die van Füssen in Bavaria.

Velvary, begin 19e eeuw

Velvary, begin 19e eeuw

Opgroeien langs de handelsroute

Ferdinands geboorteplaats was een belangrijke halte langs de oude handelsroute van Saksen naar Praag, waar ook de instrumenten die in de omringende dorpen werden gemaakt hun weg naar de Tsjechische hoofdstad vonden. Zo ook die van de eerste vioolbouwer van de familie: František Homolka.

Ferdinands leerjaren

Net als zijn vader, werkte Ferdinand August al jong mee in de werkplaats van zijn vader. Op zijn 16e, in 1844, begon zijn loopbaan als leerling pas echt. Na één jaar, in 1845, vervolgde hij die bij Josef Kratschmann in Znojmo en ging hij na het afleggen van zijn meesterproef in Wenen werken bij Frantisek Schmidt, gevolgd door een baan bij Josef Barchánek in Sopron.

 Hij reisde door naar  Linz waar hij bij Johann Fitsch ging werken en vervolgde zijn weg naar Kutná Hora bij zijn oom Ferdinand Josef, naar Praag bij Johann Stoss en Jan Baptista Dvořák om tenslotte terug te keren naar Wenen om bij Anton Fischer te gaan werken die in het pand van het vermaarde Wiener Musikverein zijn werkplaats had.

Deze bouwers hadden een hoge mate van vakbekwaamheid. Hun instrumenten bouwden zij niet zozeer naar de hoger gewelfde Boheemse modellen, maar vaak naar traditionele Cremonese bouwers als Guarneri del Gesù en Stradivari die zij combineerden met een eigen, vaak subtiele stijl. Na zijn omzwervingen vestigde Ferdinand Homolka zich in 1854 uiteindelijk Praag.

Muzikale bloei en nationalistische idealen

Dat was niet zo verwonderlijk; Wenen was in de 19e eeuw wel hét centrum van muzikale activiteiten, maar aartsconservatief. Wat de ontwikkeling van de muziek betrof, volgde Praag direct na Wenen. Rond de tijd dat Ferdinand Homolka zich daar vestigde, begon er een culturele opstand. De Tsjechische elite verzette zich steeds meer tegen de dominante Duitstalige cultuur in het rijk. In Praag stonden mensen op om de stad tot het centrum van de Tsjechische heropleving te maken. De stroming om er de oorspronkelijke taal, cultuur en geschiedenis nieuw leven in te blazen sloeg onder brede lagen van de bevolking aan.

Al snel bloeide in Praag het nationalisme en de romantiek in literatuur en muziek. Componisten als Bedrich Smetana en Antonín Dvořák haalden inspiratie uit volksmuziek en de Tsjechische cultuur. Daardoor groeiden muzikale instellingen zoals het Praags Conservatorium en kunstorganisaties. Die gingen een vitale rol spelen bij het vormen van de Tsjechische muzikale identiteit;  Dvorak schreef er in 1862 zijn eerste zes strijkkwartetten en Smetana gaf les aan het conservatorium en werd in 1866 eerste dirigent van het koninklijk theater in de stad. Muziek en literatuur werden de dragers van de nieuwe culturele identiteit.

Aankondiging van een uitvoering van Bedřich Smetana

Aankondiging van een uitvoering van Bedřich Smetana's symfonische gedichtencyclus 'Ma Vlast' - muziek met een specifiek Tjechisch karakter.

Het hoogtepunt van de Praagse vioolbouw

Onder invloed van de muziek die de opstand droeg, kende de vioolbouw in Praag rond 1850 een enorme bloeiperiode. Generaties lang hadden zij zich een hoge mate van vakbekwaamheid eigengemaakt. Als politieke hofstad in het Habsburgse Rijk had Praag al vele jaren lang veeleisende musici, componisten en instrumentmakers aangetrokken, waardoor de vioolbouw er verfijnder was en vaak meer gericht op individuele kwaliteit dan op massaproductie in de omringende dorpen.

Veel van de bouwers die in de 19e eeuw in Praag werkten, hadden zich ontwikkeld tot de meest vooraanstaande in Centraal-Europa.

Ferdinands zeven ateliers

In 1857 opende Ferdinand August Homolka zijn eigen zaak in Praag. Een jaar later trouwde hij en in 1860 kreeg hij een zoon, Eduard Emanuel. Ook in Praag bleef hij niet lang op één plaats, in totaal wisselde hij zeven keer van werkplaats. Uiteindelijk werkte hij vanuit zijn eigen huis aan het Tyn-plein, een kleine, maar prachtige lokatie in het centrum van de stad.

Kopieën met karakter

Ferdinand August Homolka wordt niet zelden gezien als een van de beste vioolbouwers uit de Tsjechische geschiedenis. Hij kreeg veel erkenning voor zijn uitstekende kopieën van violen van Antonio Stradivari, maar hij maakte ook kopieën van andere Italiaanse meesters. Deze bouwde hij met groot vakmanschap.

Hij beoogde daarmee geen vervalsing te maken; in deze instrumenten zette hij zijn eigen etiket

Hij bouwde sommige instrumenten naar Stradivari, niet alleen in model en vorm, maar hij verwerkte er ook verweringen in en bootste scheuren en krassen er soms verbluffend nauwkeurig in na. Hij beoogde daarmee geen vervalsing te maken; in deze instrumenten zette hij zijn eigen etiket. Omdat de Tsjechische vioolbouw al zo’n hoog niveau had bereikt, waren de instrumenten van Ferdinand Homolka geliefd onder beroepsmusici.

Volgende generatie en nalatenschap

Net als de generaties vóór hem, leidde hij zijn zoon Eduard Emanuel zelf op. Naast vioolbouwer werd Eduard Emanuel ook violist. Hij studeerde viool bij František Ondříček en kreeg een baan in het orkest van het Nationaal Theater van Praag. Daarnaast bleef hij instrumenten bouwen in zijn vaders werkplaats tot hij in 1886 naar het buitenland ging. Toen Ferdinand August in 1890 overleed, keerde hij terug naar Praag en zette de zaak voort. 

Etiketten van Eduard Emanuel (zoon) en Ferdinand August (vader) Homolka. Bron: Tsjechisch Muziekmuseum in Praag

Homolka’s violen hebben iets weg van Stradivari, maar met een licht hogere welving. Hij wist voor ieder instrument het juiste hout te vinden dat hij over het algemeen afwerkte met een gele tot geel-bruine olielak en afhankelijk van het instrument dat hij wilde bouwen, gebruikte hij een transparante goud-gele lak.

Zijn gedrukte etiket luidde:  Ferd August Homolka / in Prag 187.

Bronnen

Davidson, A., 2019, Reclaiming a Golden Past: Musical Institutions and Czech Identity in Nineteenth-Century Prague

Beckerman, Michael B., 2003, “In search of Czechness in music”, 19th-century music in Prague, Prague

Large, B., 1970, Smetana, New York.

St. Pierre, K., “Smetana’s «Vyšehrad» and mythologies of Czechness in scholarship”, 19th century music. Prague.

Hroch, M., 1985, Social preconditions of national revival in Europe: A comparative analysis of the social composition of patriotic groups among the smaller European nations, Cambridge.

Vannes, R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Henley, W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications, London.

Libin, L., 2014, The Grove Dictionary of Musical Instruments, Oxford.

Geneanet, geraadpleegd in 2025.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
24 juli 2025