
viool
Brit Rijnen

*1877 , Ferrara †1928 , Ferrara
In een tijd dat industrialisatie het antwoord leek te zijn op de armoede in Noord-Italië, waren het soms juist ambachtelijk werkende vakmensen als de vioolbouwer Ettore Soffritti die, mist zij de allerhoogste graad van perfectie bereikten, niet alleen beloond werden met aandacht en waardering maar er ook goed van konden leven. In Ferrara dat niet ver van Bologna ligt, werd hij in 1877 geboren als enige zoon van Luigi Soffritti (1860-1896) en Margeritha Roversi (onbek.-1880). Zijn moeder heeft Ettore nauwelijks gekend; zij stierf toen hij drie was. Zijn vader speelde dan ook een belangrijke rol in zijn leven. Luigi was timmerman, leefde in armoede en maakte, om iets bij te verdienen, in zijn vrije tijd violen. Daarin was hij ongeschoold; enkele instrumenten die van hem terug gevonden zijn, laten dan ook vrijwel geen invloed zien van andere bouwers. Ze zijn eenvoudig en van plaatselijk hout gemaakt. Wel gaf Luigi zijn interesse daarvoor door aan Ettore. Die bleek een gretige leerling te zijn, had aanleg en wilde meer dan zijn vader hem kon leren.
Dat kon echter niet in Ferrara. Die stad had ooit een rijk cultureel en muziekminnend leven gekend, maar daar was weinig meer van over. Na Luigi en Giuseppe Marconcini (1760–1790 en 1774–1841) waren er ook geen echt belangrijke vioolbouwers meer geweest. De pest die in Noord-Italië huisgehouden had was, mede doordat de stad zich zoveel mogelijk voor de omgeving afgesloten had, grotendeels aan Ferrara voorbijgegaan. Maar omdat de stad zich ook daarna voor lange tijd weinig opengestelde voor invloeden van buitenaf, had ook het muziekleven zich minder kunnen ontwikkelen dan in de meeste Italiaanse steden. Op de opera’s van de in Ferrara geboren Rossini na, had de bevolking van de stad meer belangstelling voor toneel dan voor muziek. Toen Ettore geboren werd, beschikte Ferrara over acht grote theaters en maar één muziekschool. Daar ging Ettore naar toe om viool te leren spelen.
Rond zijn vijftiende bouwde hij in navolging van zijn vader zijn eerste viool. Ook begon hij in dat jaar al een eigen werkplaats. Zijn behoefte aan kennis en scholing bracht hem ertoe om geregeld naar Bologna te gaan. Daar werkte Raffaele Fiorini, die in het Palazzo Pepoli een levendig vioolbouwatelier leidde en zijn kennis ruimhartig deelde met vioolbouwers die hem daarom vroegen. Fiorini was de grondlegger van de Emiliaanse vioolbouwschool en was het referentiepunt voor bouwers in de omgeving. Niet verwonderlijk dat Ettore onder zijn invloed kwam. In Fiorini’s atelier werkten nog enkele belangrijke bouwers: zijn zoon Giuseppe (1861–1934), Augusto Pollastri (1877–1927) en Cesare Candi (1869–1947). Onder hun invloed werden de instrumenten van Ettore puur en persoonlijk.
Het waren wellicht Giuseppe Fiorini en Augusto Pollastri die met hun verfijnde manier van bouwen Ettore uiteindelijk inspireerden om een hoge mate van perfectie na te streven, zonder in saaiheid te vervallen. Vervolgens bezocht hij vrijwel zeker ook de andere vioolbouwers van Bologna die hem eveneens beïnvloed lijken te hebben. Een lange aaneengesloten periode is hij niet bij een van hen in de leer geweest, want Ettore staat nergens als leerling of medewerker geregistreerd. Ook komt hij in de archieven van Bologna niet als inwoner voor. Toch is de Bolognese invloed onmiskenbaar in zijn werk aanwezig. Er zijn instrumenten van hem bekend met een etiket uit Bologna. Tussen 1890 en 1896, het jaar waarin zijn vader stierf, bouwde hij instrumenten in de stijl van de streek Emilia Romagna.
Tussen 1896 en de eeuwwisseling leek hij even wat stuurloos, wat volgens zijn biograaf kwam door zijn vaders dood, en pas rond 1905 hervond hij zijn richting. Daarna begon zijn werk weer kracht, elegantie en verfijning te vertonen die hij in de jaren die volgden verder uitwerkte. Hij baseerde zijn modellen voornamelijk op Guarneri.
Ettore gebruikte geleidelijk aan niet alleen betere materialen, maar werkte ook verder aan het bereiken van de hoogste graad van vakmanschap. Zijn instrumenten kregen vloeiende lijnen en hij ontwikkelde een trefzekere hand. Nadat hij veel waardering had gekregen op een lokale tentoonstelling, nam hij op zijn drieëndertigste deel aan de zijn eerste grote, internationale tentoonstelling in Brussel. Daarna volgde Rome en in 1911 kreeg hij ook in Turijn hoge onderscheidingen. Maar daarbij bleef het niet. Een jaar later kreeg hij van de Italiaanse regering het Grootkruis van Verdienste. Ettore Soffritti was daarmee een gevestigde en zeer gewaardeerde vioolbouwer geworden.
In de jaren voorafgaand aan de eerste wereldoorlog heerste er in Noord-Italië een bijna onvoorwaardelijk geloof in vooruitgang door wetenschap en techniek. Sommige ondernemende vioolbouwers uit Ettore’s omgeving werden daardoor gegrepen en gebruikten nieuwe technieken om op semi-fabrieksmatige manier instrumenten te vervaardigen. Industrialisatie was synoniem geworden voor vooruitgang en welvaart. Een opvatting die ook andere, soms noodlijdende vioolbouwers in die tijd nieuwe perspectieven bood. Doordat Ettore ver bij het industriële geweld vandaan bleef en onvermoeibaar doorging met traditioneel werken, trok hij leerlingen aan die dat eveneens nastreefden. Door zijn persoonlijke manier van bouwen die zijn leerlingen van hem overnamen, ontstond wat later wel de ‘School van Ferrara’ genoemd zou worden.
Zowel binnen Italië als daarbuiten werd hij beschouwd als een invloedrijk bouwer. Veel grote musici lieten een instrument door hem bouwen. Nog twee onderscheidingen zou Ettore ontvangen; één kreeg hij na een klanktest in Rome in 1923 en twee jaar later werd hij door koning Viktor Emmanuel geridderd. In het voorjaar van 1928 stierf hij onverwacht aan een hartstilstand.
In zijn begintijd baseerde hij zich op het Guarneri model zoals die door de bouwers rondom Raffaele Fiorini in Bologna werden gebouwd. Zijn latere werk laat meer invloeden zien van vroegere Reggio-Emiliaanse bouwers die het Amati model als basis hadden gekozen. Lange tijd waren kenmerken van Reggio-Emilia in zijn werk terug te vinden, zoals een rand die als een koord om het instrument lag.
Nadat hij zijn eigen weg had gevonden werden Soffritti’s instrumenten gekenmerkt door vloeiende lijnen en onderdelen die hij bij vroege bouwers uit Ferrara zoals Mezzadri and Marconcini was tegengekomen. Zijn instrumenten worden uiteindelijk een samensmelting tussen de vroege Bolognese en Ferrarese stijl.
Hij gebruikte aanvankelijk weinig gevlamd esdoornhout of zelfs lokaal gevonden hout zoals bij de bouwers uit de streek vaak voorkwam, maar in de loop van de jaren werd hij kritischer en kocht uitsluitend het beste hout dat hij kon vinden. Zijn beste en meest persoonlijke instrumenten lakte hij af met een geel-oranje tot rood-bruine olielak. Opvallend is de vaste hand waarmee hij werkte. De krul is diep ingesneden en elegant van vorm. De klank van zijn instrumenten wordt over het algemeen als excellent ervaren. Hij gebruikt verschillende labels waarop hij na 1911 vermeldde dat hij prijswinnaar was op diverse tentoonstellingen.
Ettore Soffritti had veel belangrijke leerlingen waaronder Ernesto Pevere (1891–1963), Anselmo Gotti (1902–1960), Carlo Carletti (1873 – 1941), Gaetano Pareschi (1900–1987) en Enrico Orselli (1891–1955). Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de school van Ferrara.
Het Muziekinstrumentenfonds heeft twee violen van Ettore Soffritti in de collectie, de oudste dateert uit 1912, net nadat zijn belangrijkste periode begonnen was. De andere viool moet een van zijn laatste instrumenten geweest zijn. Hij was toen al een gevestigd en zeer gerespecteerd bouwer.
Tarisio, The Cozio Archive; Gindin D. Ettore Soffritti. Bezocht in 2020.
Panorama of Modern Bolognese Violin Making: Influences and Relationships, 2002, The Scientific Committee "Il Suono di Bologna”, Bologna.
Versari A., 2002, Modern Violin Making in the Emilia-Romagna Region. Bologna.
Blot E., 2001, 1860-1960 - A century of Italian Violin Making - Emilia e Romagna, Cremona.
Vannes R., 1985, Dictionnaire Universel des Luthiers. Bruxelles.
Brinser M., 1978 Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers, Bologna - A living tradition of Violin Making, zp.