Doorgaan naar content
bouwer

David Tecchler

*± 1666 , Augsburg      †1747 , Rome

David Tecchler (van oorsprong Deschler) was een van de vele Duitse immigranten die in de zeventiende eeuw naar Rome trokken. Geboren in Augsburg, waar hij vermoedelijk het vak van vioolbouwer leerde, reisde hij enkele jaren rond alvorens hij in Rome bleef en succes kreeg met zijn instrumenten. Hij sloot zich aan bij de vereniging van Duitstaligen in Rome en vond een onderkomen waar hij erg productief werd, maar arm bleef.

Zijn echtgenote kwam uit een vooraanstaande vioolbouwfamilie in Füssen en was weduwe van een vioolbouwer die eveneens uit Füssen afkomstig was en in Rome overleed. De instrumenten van David Tecchler hebben opvallend veel weg van de Augsburgse bouwersfamilie Edlinger, maar ook van Nicolò Amati en Jacob Stainer. Augsburg bood hem niet wat hij zocht en hij begon aan een reis naar Rome waar hij uiteindelijk opgang maakte. Zijn stijl en die van zijn navolgers kennen we nu als de ‘Romeinse School’. Vooral zijn cello’s worden gewaardeerd om hun klank.
Werkplaats(en)
Rome, 1697-1747
Corelli dirigeert een orkest op Piazza di Spagna in Rome. Deel van gravure Christoforo Schor (1687).

Augsburg: stad van partituren en straatmuziek

Rond 1666 werd David Tecchler in Augsburg geboren. De stad was een van de vrije steden binnen het Heilige Roomse rijk en lag aan de Via Claudia Augusta, een eeuwenoude handelsroute die Augsburg met Füssen en Venetië verbond. De vioolbouw leefde er en het muziekleven was bloeiend geweest onder brede lagen van de bevolking. Nergens in Europa werden meer muziekuitgaven gedrukt dan in Augsburg. De uitgeverijen werkten voor beroepsmusici, rijke verzamelaars, amateurs en eenvoudige straatmuzikanten. Overal werd muziek gemaakt. Halverwege de zeventiende eeuw veranderde de situatie echter. Augsburg raakte betrokken bij grote internationale conflicten waardoor de armoede massaal toenam. Er kwam een ware exodus op gang; het aantal inwoners van de stad was gehalveerd toen David Deschler werd geboren.

Replica van een Romeinse kilometersteen aan de Via Claudia Augusta bij het Beierse Unterdiessen

Replica van een Romeinse kilometersteen aan de Via Claudia Augusta bij het Beierse Unterdiessen

Ontwikkeling tot vioolbouwer

Davids ontwikkeling tot vioolbouwer is niet terug te leiden tot één leermeester. Er bestaan opvallend veel overeenkomsten met de violen en altviolen van de vooraanstaande familie Edlinger die in en om Augsburg werkzaam was. De Edlingers maakten hun violen in een duidelijk vroeg-Germaans model maar met een verfijning zoals we die kennen van Jacob Stainer. David vervolgde zijn opleiding vermoedelijk ook in de stad Füssen. Daar lag de oorsprong van de Europese vioolbouw en de stad viel onder hetzelfde bestuurlijke gezag als Augsburg. Eerdere biografen hebben gesteld dat Tecchler hoogstwaarschijnlijk enige tijd doorbracht bij een familie van luitenmakers in Lechbruck, dat vlak bij Füssen lag. Daarna reisde hij door naar Rome en maakte hij een tussenstop in Venetië. Een reis naar Rome was door de onderlinge verdeeldheid van de vele staatjes waardoorheen gereisd moest worden niet eenvoudig, maar Augsburg, dat toen een vorstendom was binnen het Heilige Roomse Rijk, vergemakkelijkte het reizen naar Rome aanzienlijk.

Rome

Tot halverwege de zeventiende eeuw werden er in Rome voornamelijk gitaren en luiten gebouwd. Talloze overgeleverde inventarisaties van werkplaatsen en archieven uit die tijd tonen aan dat er vrijwel geen ‘violinaro’ werkzaam was. Vioolbouwers uit het Duitstalige gebied ontdekten tussen 1660 en 1690 Rome als nieuwe culturele stad waar ruimte was om hun vak te kunnen uitoefenen.

De muziekcultuur veranderde geleidelijk en strijkinstrumenten kregen in toenemende mate een rol in composities en de uitvoeringspraktijk toebedeeld. Toen David er rond 1690 arriveerde, hadden er zich al talloze Duitse vioolbouwers gevestigd. Op Leopoldo Tedesco (Tedesco betekent 'Duitse') na, had vrijwel geen van hen naam gemaakt. David veranderde zijn Duits klinkende naam Deschler in Tecchler, net als Tedesco voor hem had gedaan. Tecchler was toen al een volleerd vioolbouwer.

Rome en de Germaanse broederschap

Waarschijnlijk kon David Tecchler in zijn eerste Romeinse jaren niet van de vioolbouw leven. Hij werkte in de begintijd voor de Zwitserse garde van de Paus tegen een klein, maar vast salaris. In 1696 liet hij zich inschrijven bij de Romeinse vereniging van Duitstalige inwoners van Rome, het Veneranda Arciconfraternita del Campo Santo Teutonico. Die bestond al sinds 1450 en had een eigen kerk met begraafplaats, net buiten de muren van het Vaticaan. Oorspronkelijk was de organisatie bedoeld om pelgrims aan onderdak en eten te helpen. Later, toen er veel pelgrims in Rome achterbleven, hielpen zij de nieuwe ‘immigrés’ met het vinden van een huis en werk. Ook David Tecchler vond zijn weg in Rome door toedoen van deze organisatie; hij was toen rond de 30 jaar oud.

Duitse vioolbouw in Rome en een Pauselijk decreet

In 1697 bouwde David Tecchler in Rome zijn eerst bekende instrument, een viool. Vanwege de strenge regels van het gilde mocht hij zich pas een jaar later als zelfstandig vioolbouwer inschrijven. Dat gaf hem het recht om instrumenten onder eigen naam op de markt te brengen.

In 1709 kwamen er op de zogenaamde armenlijst 288 musici en 43 instrumentenmakers voor

Tot het eind van de zeventiende eeuw werd er in Rome veel en op hoog niveau gemusiceerd. Opera’s waren zeer geliefd. Daar kwam in 1698 abrupt een einde aan. Paus Innocentius XII verbood in dat jaar alle openbare muziekfestivals en opera’s in Rome; zingen en een instrument op straat bespelen mocht alleen om mee te bedelen. "In Rome is er geen plaats om muziek te verwelkomen", schreef Scarlatti in 1705, "behalve bij hen die leven van de bedelarij". Er brak een moeilijke periode aan voor uitvoerende musici en makers van instrumenten. De volgende paus, Clementius XI, legde in 1708 extra belastingen op. Daarmee bekostigde hij zijn oorlogen, maar gaf er ook het sterk toegenomen aantal armen bijstand mee. In 1709 kwamen er op de zogenaamde armenlijst 288 musici en 43 instrumentenmakers voor. De laatsten waren verdeeld in vier categorieën: darmsnarenmakers, orgelmakers, klavecimbelmakers en luitenmakers. De eersten verdienden het meest en kregen weinig bijstand, de luitenmakers stonden onderaan de lijst. Zij verdienden het minst en ontvingen daarom de meeste bijstand. David Tecchler viel in die laatste categorie.

Een jaar later trouwde hij. Zijn echtgenote, Agnese Heringer, was weduwe van een vioolbouwer uit Füssen die eveneens naar Rome was gekomen. Davids huwelijksakte vermeldde dat hij de zoon was van de overleden Joannis Deschler uit Augsburg. Kort daarna werd hun enige zoon Andreas geboren.

Het resultaat was de ‘Romeinse school’, waar David Tecchler de voornaamste representant van was

Zelf stamde Agnese af van een vooraanstaande familie in Füssen. Hun bouwers hadden niet alleen invloed op die van Brescia, Bologna, Padua, Cremona, Venetië, maar ook op die van Rome. De Duitse vioolbouwers bleven lang aan hun eigen traditie vasthouden, maar geleidelijk namen ze de Italiaanse over. Het resultaat was de ‘Romeinse school’, waar David Tecchler de voornaamste representant van was.

Corelli dirigeert een orkest op Piazza di Spagna in Rome. Deel van gravure Christoforo Schor (1687).

Corelli dirigeert een orkest op Piazza di Spagna in Rome. Deel van gravure Christoforo Schor (1687).

Grafinscriptie Corelli in het (huidige) Pantheon

Rome en de virtuositeit van Corelli

Augsburg bleef nog lang behoudend in muziekstijl. Tecchlers komst in Rome viel samen met aandacht voor ‘moderne’ composities waar virtuositeit een belangrijke rol in speelde. De vioolvirtuoos Arcangelo Corelli was één van de vertegenwoordigers daarvan. De adel was in opkomst en liet weelderige paleizen bouwen waar besloten uitvoeringen van die composities in werden gegeven. De Romeinse edelen werden beschermers van kunsten. Arcangelo Corelli had al rondreizend met zijn spel heel Europa veroverd. Bij terugkomst in Rome had hij de status van een halve god. Wekelijks was hij gast van de aristocraten van de stad. In 1706 werd hij toegelaten tot de prestigieuze Accademia dell'Arcadia in Rome. Hij ontwikkelde zijn speltechniek nog verder en gaf dat aan zijn leerlingen door. Het stelde hogere eisen aan de instrumenten dan vóór die tijd. Die van Tecchler voldeden daaraan. Bij zijn terugkomst in Rome had Corelli talloze volgelingen die zijn vioolsonates uit 1700 massaal gingen spelen. Erg veel concurrenten had Tecchler niet. Gezien het aantal overgebleven instrumenten had hij volop werk.

Cello David Tecchler (1701) met zichtbaar restant van de constructie voor een draagriem

Corelli’s invloed op de muziek en de gevolgen voor de vioolbouw

Corelli’s populaire Concerti Grossi waren de eerste grote composities waarin niet meer de bas- of tenorgamba, maar de cello werd gebruikt. Tecchler werd beroemd om deze instrumenten, mede omdat hij ze een groot formaat meegaf. Daaraan gaf men in Noord-Italië over het algemeen de voorkeur boven de kleinere cello’s die in andere delen van het land werden geprefereerd. Rond 1700 werd het kleinere model in heel Italië standaard. In het achterblad van bijna al zijn grote celli maakte Tecchler een houten constructie voor een draagriem. Naast cello’s bouwde hij violen, een enkele contrabas en luiten waaronder een bijzondere, verfijnd gebouwde archiluto, een instrument dat tussen een theorbe en een tenorluit in zit. Met zijn altviolen begon hij laat in zijn loopbaan; in een altviool uit ca. 1730 schreef hij op het etiket: La mia terza viola (mijn derde altviool).

David Tecchler was op het hoogtepunt van zijn productie toen Corelli in 1713 overleed. Corelli had aan de populariteit van het vioolrepertoire dat in Rome werd uitgevoerd een dermate grote bijdrage geleverd, dat hij werd gebalsemd en naast Raphael begraven in wat nu het Pantheon is, maar toen nog de Basilica Santa Maria ad Martyres was. Zijn begrafenis was voor een musicus van ongekende allure; talloze edelen, kardinalen en bisschoppen woonden de plechtigheid bij.

Bouw, techniek en invloed

David Tecchler gebruikte meestal voortreffelijk hout: mooi en fijn gevlamd esdoorn voor het achterblad en de zijkanten en fijngenerfd dennen waarvan hij het bovenblad maakte. Waarschijnlijk gebruikte hij dit materiaal echter nog voordat het echt helemaal droog was; veel instrumenten vertonen kleine krimpscheuren.

Gezien de symmetrische vorm en de vrijwel identieke afmetingen van zijn violen, gebruikte hij vermoedelijk een mal waaromheen hij het instrument bouwde. De bladen zette hij vast met kleine houten pinnen, die hij verborg onder de randinleg. Deze was van een brede beukenhouten middenlaag met smalle zwarte stroken en was nauwkeurig ingelegd. Hij bleef lang trouw aan de Duitse manier van werken in tegenstelling tot wat in Italië gebruikelijk was. Dat is terug te zien in de rechtopstaande wijde f-gaten, evenals de manier waarop hij de onderdelen samenvoegde. Zijn krul was slank, symmetrisch en zuiver spiralend gesneden, met een doorlopende ronding zoals die van Stainer. Aan deze vorm zou hij zijn hele loopbaan vasthouden. Zijn lak was meestal van een verfijnde kleur oranje, aangebracht over een bruine ondergrond.

In Rome werd op een lagere toonhoogte (de A lag rond de 390 Hz) gespeeld dan in andere delen van Italië. Dat vergde een grotere snaarlengte, iets wat op het grote model van Tecchler goed mogelijk was. Later zijn veel van Tecchlers cello’s omgebouwd naar een kleiner model om te voldoen aan ‘de nieuwe standaard’.

Tecchlers productie in aanmerking genomen, heeft hij waarschijnlijk één of meer medewerkers gehad. Wie dat waren is nog onderwerp van onderzoek. Tecchlers invloed leefde lang voort in Rome. Mede door de vioolbouwers Giulio Cesare Gigli, Francesco Emiliani, Giorgio Tanigardi en Michael Platner werd de Romeinse school tot de derde generatie voortgezet.

Het archief van de Arciconfraternita del Campo Santo Teutonico vermeldt dat Tecchler in 1747 overleed en begraven werd op de begraafplaats van de vereniging.

Mogelijk werden Tecchlers instrumenten ook buiten Rome verkocht. Een viool uit 1724, waarvan experts met zekerheid konden vaststellen dat die door Tecchler was gebouwd, draagt niet Tecchlers etiket, maar het originele etiket van Carlo Tononi die vanaf 1717 in Venetië werkte. Ook tijdens zijn leven was Tecchler een gewaardeerde bouwer. Anton Tecchler, een neef van David, voorzag zijn instrumenten van een etiket met de tekst ‘Anton Hieronymus Tekler, Davidis Nepos Lautero fecit 1735’. Na het overlijden van David zette zijn zoon Andreas de zaak voort. Van hem zijn alleen maar enkele cello’s bekend.

Bronnen

Archief van de Holy Roman Empire Association. ‘The Free imperial cities of the holy roman empire”, bezocht in 2024.

Cramer-Fürtig M., 2006, Aus 650 Jahren. Ausgewählte Dokumente des Stadtarchivs Augsburg 1156-1806, Augsburg.

Bátori I, 1969, Die Reichsstadt Augsburg im 18. Jahrhundert. Verfassung, Finanzen und Reformversuche, Göttingen.

Barbieri B., 2006, An assessment of musicians and instrumentmakers in Rome, during Handel’s stay.

Lamla, M: 2003, Kanonkünste im barocken Italien, insbesondere in Rom, Berlin.

Tarisio, Cozio archive, bezocht 2024.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
8 november 2024