
viool
Minori Mori

*± 1675 , Londen †1725 , Londen

Daniel Parker werd lang beschouwd als de enige vioolbouwer in Noord-Europa die zich al vroeg liet beïnvloeden door grote bouwers als Amati, Guarneri en Stradivari uit Cremona. Daar is men later wel op teruggekomen, maar het geeft wel aan hoezeer men zijn werk in dat opzicht geslaagd vond. Zeker in Engeland. Er zijn aanwijzingen dat, kort na Parkers dood, zijn violen werden vergeleken met andere grote Cremonese bouwers.
Veel meer dan dat hij halverwege de zeventiende eeuw werd geboren in de wijk rond St. Pauls Cathedral weten we niet met zekerheid over zijn afkomst. Wel bestaat er een doopakte van Jane Parker uit 1696 in het archief van de St. Augustine kerk aan Watling Street, vrijwel naast het St. Pauls, waar Daniel Parker als haar vader werd opgegeven.
Het gilde en enkele betrokken burgers maakten dat nergens in Londen de sociale structuur beter was dan in de wijk waarin hij geboren werd. Twee scholen, één van het St. Pauls en een openbare school, zorgden ervoor dat alle kinderen uit de buurt onderwijs kregen, ook de arme. Het was een zo opmerkelijk fenomeen dat zelfs Erasmus er aandacht aan besteedde.
Van wie Daniel Parker het vak van gamba- en vioolbouwer leerde is niet bekend. Het was een buurt waar muziekliefhebbers uit heel Londen naar toe trokken om te luisteren naar de eerste uitvoeringen in de St. Paul’s Cathedral die net was herbouwd. Het was hiermee de grootste en meest voorname kerk in Engeland geworden. In de straten om de kathedraal heen werd muziek gemaakt en muzieklessen gegeven. Er zaten veel vioolbouwers en muziekwinkels. De vioolbouwer Talbot Young organiseerde wekelijks muziekbijeenkomsten die zo succesvol waren, dat de groep met wie hij muziek maakte uit moest wijken naar steeds grotere ruimten. Later groeiden die bijeenkomsten uit tot druk bezochte concerten. En ook het legendarische ‘Mitre’, een van de eerste muziekhuizen van Londen, maakte deel uit van het sociale leven rond het St. Paul’s. Daniel Parker werkte en woonde in een omgeving waar muziek een belangrijke rol speelde.
Naar alle waarschijnlijk zal hij zijn vak in de buurt geleerd hebben. De vioolbouwers en de musici kende hij van dichtbij. Het gilde van instrumentenbouwers reguleerde de opleiding van de vioolbouwers in Londen met vaste hand. Na zijn opleiding kreeg Parker de status van ‘Freeman’, wat inhield dat hij lid van het gilde was geworden en op zijn eigen naam en reputatie kon handelen. Later werd hij een ’Kleine meester’. Om echt ‘Meester’ te kunnen worden was het nodig om een eigen winkel te hebben, maar die had Daniel Parker niet. Hij leverde onderdelen aan andere bouwers. Veel van de instrumenten die hij in z’n geheel maakte, lijken te zijn geleverd aan de grote dealers van die tijd. Daarnaast is zijn hand te zien in veel coöperatief werk. Hij was niet alleen een kleine zelfstandige maar ook een ‘Journeyman’, een status die hem het recht gaf bij andere bouwers in de stad voor een dagloon te werken. Instrumenten van een eigen etiket voorzien mocht hij wel, maar het ontbrak hem aan een eigen klantenkring. Alleen ‘master vioolbouwers’ en grote handelaren als Edward Lewis, Barak Norman, Richard Meares en John Hare beschikten daarover. Zij lieten anderen voor zich bouwen en verkochten die instrumenten in hun muziekwinkels aan de noordelijke rand van St. Paul's Churchyard. Later ook verder weg op Cornhill. Naast een aanvullend inkomen, bood het werken in dagloon Daniel Parker ook de gelegenheid om zijn vakmanschap verder te ontwikkelen en werk van andere bouwers te leren kennen, waaronder de Cremonese.
De meeste vroege violen waarin de hand van Parker te zien is, bevatten de labels van Edward Lewis uit ongeveer 1700. Deze zijn meestal gebaseerd op de bestaande traditionele Britse ontwerpen. Maar al na 1703 verandert dat geleidelijk; ze vertonen de eerste Italiaanse invloeden. Deze instrumenten laten zien dat Parker al op zoek was naar een nieuwe Engelse vorm, beïnvloed door Italiaanse mode. Het was een keerpunt in zijn stijl die te maken had met de komst van de violist en Cremonese edelman Gaspar Visconti in 1703 naar Engeland.
Al eerder waren in heel Engeland de sonates van Arcangelo Corelli en de Italiaanse opera populair geworden. Londen trok daardoor veel Italiaanse componisten, zangers en andere musici aan. De muziekcultuur was in handen van de rijke families die afwisselend zowel in de binnenstad als in hun landhuizen uitvoeringen gaven. Naast deze uitvoeringen kwamen nog de concerten en opera’s die een groeiend aantal ‘musical societies’ organiseerden. De Italiaanse musici brachten meestal hun eigen strijkinstrumenten mee. Die weken af van wat men in Londen gewend was. Het waren veelal instrumenten gebaseerd op die van Amati, Guarneri en Stradivari. Met de voorkeur voor de Italiaanse muziek, groeide ook die voor Italiaanse instrumenten.
Omdat Corelli zo populair was in Engeland, drongen de Engelsen erop aan dat de componist naar Londen zou komen. Corelli was een katholieke priester en weigerde naar een land te gaan met veel anti-katholieke sentimenten. Daarom stuurde hij een van zijn leerlingen. Nicolo Cosimi arriveerde in 1701, in zijn kielzog gevolgd door de Cremonese edelman, componist en violist, Gasparo Visconti. Visconti had veel belangstelling voor de klank van de viool en kwam naar Engeland met kennis van Stradivari’s werkwijze.
De Italiaanse sonates stelden andere eisen aan de instrumenten van de Londense vioolbouwers dan voorheen. John Hare maakte reclame voor Visconti's vioolsonates Opera Prima. Hij verkocht partituren in luxe edities, uitgaves op 'koninklijk papier’ van Signor Gasperini, zoals de Engelsen Visconti noemden. John Hare was niet alleen uitgever van muziek, maar hij verkocht ook de strijkinstrumenten die Daniel Parker gebouwd had, instrumenten waarmee de nieuwe muziek beter uitgevoerd kon worden.
Visconti trad in Londen veel op en met groot succes. Daarnaast hielp hij de gebroeders Steffkins (de twee prominente gambaspelers in het Royal Court) bij klank demonstraties voor de Royal Society of London for Improving Natural Knowledge. Vrijwel ogenblikkelijk werd de invloed van Stradivari duidelijk in het werk van een kleine groep vioolbouwers die allemaal een directe band hadden met de Steffkins of John Hare, waartoe ook Daniel Parker behoorde.
In 1706 trouwde Visconti met Cristina Steffkins en ging met haar terug naar Cremona waar hij in 1707 Stradivari opdracht verleende om een cello voor haar te bouwen. Stradivari en Visconti hebben daar vermoedelijk enkele varianten van het instrument uitgeprobeerd, daar er verschillende halssjablonen van bewaard zijn gebleven. Don Desidero Arisi, de biograaf uit Cremona schreef in 1720 over Visconti's rol bij het assisteren van Stradivari bij zijn ontwerpen.
De Engelse makers die via Visconti de ideeën van de Cremonese bouwers onder ogen kregen, waren goede traditionele ambachtslieden, vernieuwers waren ze zeker niet. Barak Norman, voor wie Parker violen bouwde, was onbetwist een van de leidende makers van viola da gamba, met een klantenkring in Engeland, Frankrijk en de Nederlanden en wiens beste instrumenten vergelijkbare prijzen opleverden als de beste geïmporteerde werken van Italiaanse makers. Daarom leken deze bouwers weinig behoefte te hebben gehad om het werk van Stradivari te kopiëren. Barak Norman bleef een techniek gebruiken die bekend was in eerdere Engelse instrumenten om de ribben in de groeven van het achterblad te lijmen. Deze manier van werken maakte het mogelijk om zijn instrumenten in serie te maken. Ze waren alleen minder van klank dan de instrumenten die zijn tijdgenoten door één vakman lieten bouwen. Het resultaat van zijn samenwerking met Daniel Parker is beter dan de meeste van zijn andere strijkinstrumenten.
Ook Parker hield zich, met als de meeste andere Britse bouwers nog enige tijd vast aan hun oude manier van bouwen, maar door de populariteit van de Italiaanse instrumenten veranderden zijn ontwerpen geleidelijk toch. Eerst nog hoger gewelfd zoals die van Amati, maar na 1710 werden de welvingen lager en drong er meer van Stradivari inzijn ontwerpen door.
Daniel Parker leek het werk van Stradivari dat Visconti mee naar Engeland bracht in fasen te omarmen. Eerst de maten en vormen van de buitenomtrek, waaronder het 'lange patroon' uit het begin van de jaren 1690 en het 'kortere-lange patroon' (de Ex-Kreisler). Dat waren modellen met een standaard ruglengte maar met smalle proporties. En voor wat zijn altviolen betreft heeft hij zich vermoedelijk gebaseerd op de 'Archinto' Stradivari uit 1696. Hij maakte zijn instrumenten met een bijna cirkelvormige bovenomtrek, die bijna al het werk van Parker zijn hele leven zal blijven typeren. Zijn instrumenten hebben nog wel een hoge welving die doet denken aan de Amati-periode van Stradivari's jeugdwerk uit de jaren 1660 en begin jaren 1670.
Niet alleen werk van Stradivari, maar ook dat van Pietro Guarneri en ander bouwers uit Mantua kwamen met de Italiaanse musici mee naar Londen. Daniel Parker lijkt zich ook door deze en vermoedelijk nogandere bouwers te hebben laten beïnvloeden. Opmerkelijk is een viool van Daniel Parker met ingelegde ‘fleur de lys’, figuren in de hoekpunten zoals Andrea Amati een eeuw eerder gebruikte. Parker's instrumenten werden later vaak aangezien voor die van Tomaso Balestrieri en Camillus Camilli uit Mantua.
Barak Norman nam omstreeks 1715 Nathaniel Cross aan als leerling bij de 'Bass Viol' op het St. Paul's Churchyard; later gingen zij gezamenlijk verder als ‘Norman and Cross at the Bass Viol’. Ook Nathaniel Cross experimenteerde met de Italiaanse vorm op een manier die volgens Benjamin Hebbert zijn relatie met Daniel Parker duidelijk laat zien. Daniel Parker was toen vermoedelijk al zelfstandig.
De laatst bekende viool van Daniel Parker bouwde hij voor Norman and Cross in 1724. Norman stierf in dat jaar, maar zijn weduwe zette het bedrijf nog jaren voort. Het vermoeden bestaat dat hij na zijn dood niet direct stopte, maar voor zijn weduwe nog een enkel instrument bouwde. Daniel Parker stierf een jaar later.
In 1740 werd een viool van Parker genoemd in de catalogus van de muziekcollectie die toebehoorde aan de wat excentrieke Nicholas Hawksmoor. Hawksmoor was veel te vinden in de wijk waar hij als architect Cristopher Wren verving en leiding gaf aan de wederopbouw van de St Pauls Cathedral. Dat werd direct het muzikale hartvan de buurt waar Daniel Parker zijn werkplaats had. In de catalogus stonden violen van Amati, Stradivari en ‘A Cremona Violin by Gue(!)rnerius’ en een ‘ditto by Parker’.
Meer nog dan door de collectie van Hawksmoor, heeft Daniel Parker zijn reputatie te danken aan Fritz Kreisler. Deze beroemde violist trad in 1910-1911 op met een ‘Parker Strad’ tijdens zijn tournee door Groot-Brittannië. Alfred Hill, bij wie Kreisler een viool kocht, schreef: ‘He had fallen in love with a Daniel Parker and preferred it to the tone of the Joseph Guarnerius’. Dit tot lichte wanhoop van Hill. Hij had verwacht zijn Guarneri aan hem te kunnen verkopen. De verkoopprijs van de Parker was 50 pond, voor de Guarneri vroeg Hill het vijftienvoudige. Later noemde Kreisler zijn ‘Parker’ een Balestrieri of zelfs een ‘Strad’. Niet alleen Kreisler, maar Nathan Milstein, Rugiero Ricci en Giorgio Ciompi, lieten zich vaak lovend uit over Parkers ‘strads’ of hadden ze in hun bezit.
De cultus rond Stradivari hield in Engeland geen stand en in de tweede helft van de eeuw werd het hoog gewelfde ‘Stainer’ model de universele leidraad voor de Engelse vioolbouwers. De instrumenten van Parker werden al weer snel vergeten. Daniel Parker was zijn tijd vooruit geweest, zo bleek. Pas in 1800 werd de ideeën van Stradivari in Londen in ere hersteld. En Parkers violen opnieuw gewaardeerd.
Vóór 1700, toen de Britse gambabouwers nog beschouwd werden als de beste ter wereld, waren in Engeland meer gespecialiseerde vioolbouwers schaars en hun instrumenten primitief. Daniel Parker wordt gezien als een van de eersten die daar verandering in bracht.
Hij had een traditionele Londense opleiding gevolgd zonder dat daar invloeden van buiten Engeland in waren doorgedrongen. De vorm van zijn vroege instrumenten is breed en de constructie traditioneel Brits. De f-gaten hebben aan de boven- en onderkant cirkels die ongeveer even groot zijn. De openingen zijn erg ruim en staan vrijwel recht in het blad.
In zijn eerste violen die een Italiaanse invloed vertoonden, combineerde hij een smalle buitenvorm zoals Stradivari’s ‘ex-Français’, met een volle welving van Amati of vroege Stradivari. Dat leidde tot karakteristieke en eigenzinnige instrumenten.
De f-gaten lagen dicht bij elkaar en zijn symmetrisch geplaatst en niet iets verschoven van elkaar zoals waarmee Stradivari en andere Cremonese bouwers experimenteerden. Later is de invloed van de Cremonese bouwers terug te vinden in een beter evenwicht tussen omtrek en welving. Stradivari maakte dit type pas in de laatste tien jaar van de zeventiende eeuw, maar de essentiële verhoudingen, de zwarte randen van de krul en opvallend naar beneden wijzende bovenhoeken komen al snel daarna ook voor in die van Daniel Parker.
Kenmerkend is dat de afwerking van Parker wat grof is. Hij lijkt vlot en trefzeker gewerkt te hebben. De randinleg is breed en, zoals Dilworth het noemde, ‘wat touwachtig’. Bij een opvallend ingelegde altviool van Parker loopt deze typische randinleg in de hoekpunten uit in een fleur-de-lys-vorm. Zowel de zwarte als de witte stroken van de inleg zijn gemaakt van zacht hout dat vouwen en onregelmatigheden laat zien. In termen van verfijning komt Parkers werk niet in de buurt van dat van Stradivari.
Parker gebruikte een lak die veel weg had van de Cremonese, soms goudachtig, soms oranje-rood, maar altijd transparant en helder. Zijn gouden lak is wat bros, de rode lak heeft iets weg van de Milanese of Venetiaanse.
Zijn schaarse instrumenten voorzag hij van een gedrukt label "Daniel Parker, London Fecit", of een inscriptie in het hout op de plaats van een etiket. Veel van zijn instrumenten bevatten verborgen handtekeningen aan de binnenkant van het corpus bij het onderste blok. Dat was een oud gebruik onder kleine meesters. Zijn eerste instrumenten dateren van rond 1700, de laatste van 1724.
Flaming, J. F., 2016, English, Scottish and Irish Violin Makers, London.
Baker T, Dilworth T en Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers - Vol. 1, 2001, Keulen.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Benjamin Hebbert, The “‘Parker’ Stradivari” (Tarisio Blog, October 25th, 2012).
Heron-Allen, 1902, Violinmaking as it is and was, Londen.
British-history; Survey-London, 2011, Londen Oxford Dictionary of National Biography, bezocht in 2022.
Tarisio, the Cozio archive, bezocht in 2022.