Doorgaan naar content
bouwer

Claude Augustin Miremont

*1827 , Mirecourt      †1887 , Pontorson

Als kind van arme ouders werkte Claude Augustin Miremont zich op tot succesvolle vioolbouwer. Dat lukte anderen ook wel, maar Claude werd zelfs in New York succesvol, iets wat geen vioolbouwer voor hem gelukt was; al één jaar na zijn aankomst kon hij een zaak op Broadway openen. Daar veranderde hij zijn naam, maar bleef werken op dezelfde voortreffelijke manier als voorheen.

Hij was opgeleid door Claude Nicolas Collin, een goede vioolbouwer in hun woonplaats Mirecourt. Als jonge vakman vertrok Claude naar Parijs waar hij bij René Lafleur ging werkten. Zijn belangrijkste werkgever werd Sebastien Philippe Bernardel die toen gezien werd als een van de drie beste vioolbouwers van Frankrijk. Bij hem bouwde Claude Miremont cello’s die bijzonder geliefd werden.

In 1852 vertrok hij naar New York waar hij al een klein jaar na aankomst meedeed aan de Wereldtentoonstelling in die stad. Hij won niets, maar vestigde wel zijn naam. Daarmee verdiende hij genoeg om op Broadway een zaak te kunnen openen en die later uit te breiden met het pand ernaast.

Ook deed hij mee aan de wereldtentoonstellingen in Parijs. Daar won hij wel een medaille. Negen jaar nadat hij vertrokken was keerde hij weer terug naar de Franse hoofdstad. Hij vestigde zich als zelfstandige bouwer op een voorname lokatie in de stad en deed mee aan tentoonstellingen in Parijs en Londen.

Hij stierf zonder getrouwd te zijn of kinderen te hebben. Zijn gereedschap en instrumenten werden in Parijs geveild. De nalatenschap was zo omvangrijk dat het veilinghuis drie dagen over de veilig deed.
Werkplaats(en)
Parijs, ±1845-1852
New York, 1852-1862
Parijs, 1862-1884

Leven en loopbaan

Claude Augustin Miremont was de oudste zoon van Evre Sebastien Miremont, een kleine vioolbouwer in Mirecourt, en Annemarie Lhot. Zijn vader was een van drie broers die allemaal hetzelfde vak uitoefenden. Ze hadden geen eigen atelier, maar werkten in een van de vele werkplaatsen waar Mirecourt rijk aan was.

Toen Claude Augustin in 1827 geboren werd, werkte een op de zes inwoners van Mirecourt in ateliers waar instrumenten gebouwd werden. De stad zou in de loop van de jaren uitgroeien tot plaats waar de meeste gerenommeerde Franse vioolbouwers vandaan kwamen of hun opleiding hadden gekregen. Zijn eerste kennis over het bouwen van violen kreeg Claude Augustin van zijn vader, maar zijn echte leertijd was bij de vioolbouwer Claude Nicolas Collin, eveneens in Mirecourt. Kort voor hij bij hem begon, stierf zijn moeder. Claude Augustin was toen dertien jaar. Een jaar later hertrouwde Sebastien weer.

Claude Nicolas Collin, zijn leermeester, was in Brussel opgeleid door Francois Nicolas Vuillaume, broer van Jean Baptiste met wie hij in Parijs bijzonder goede violen had gebouwd. Collin was in 1823 teruggekeerd naar Mirecourt waar hij voor zichzelf was begonnen en instrumenten bouwde naar modellen van grote Cremonese meesters. Bij hem leerde Claude Augustin in de gebruikelijke vier jaar het vak van vioolbouwer.

Veel vioolbouwers verlieten Mirecourt na hun opleiding weer. De meesten gingen naar Parijs. Ook Claude Augustin Miremont vertrok naar de Franse hoofdstad. In 1844 begon hij bij Joseph René Lafleur, een vioolbouwer, strijkstokkenmaker en musicus. Lafleur werkte al twintig jaar in Parijs en had een interessante klantenkring van musici waaraan hij zowel violen als strijkstokken leverde. Lafleur had zich in de Rue de Poissonnière gevestigd, een straat waar veel bekende vioolbouwers zaten. Claude Augustin Miremont bouwde bij Lafleur violen en cello’s en leerde van hem strijkstokken te maken.

Rond 1847 veranderde hij van werkgever en ging naar Sebastien Philippe Bernardel in de Rue Croix des Petits Champs, naast de zaak van Jean Baptiste Vuillaume. Bernardel werd in Parijs gezien als een van de drie beste vioolbouwers van Frankrijk. Hij was leerling en vaste medewerker geweest van François Lupot en bouwde instrumenten naar diens voorbeeld.

De instrumenten van Bernardel lieten vrijwel allemaal zien hoe goed zijn vakmanschap was en hoe voortreffelijke zijn materiaalkeuze. Vooral dat laatste was in die tijd niet vanzelfsprekend. Daarvoor waren oude handelscontacten met het buitenland nodig. Het vermoeden bestaat dat Bernardel die van Lupot had overgenomen. Nieuwe leveranciers zocht Bernardel in Amerika. Bij hem bouwde Claude Augustin Miremont violen en cello’s op basis van het patroon van Stradivari en af en toe naar Maggini en Guarneri. Vooral de cello’s die hij voor Bernardel bouwde waren geliefd.

Rond 1850 veranderde de muziekcultuur in Parijs. Het was de tijd waarin café-chantants opkwamen en concertzalen maar half gevuld waren. Concerten werden ook in parken, langs de Champs Élysées en aan de andere Grand Boulevards gegeven. In de nieuwe orkesten kregen klarinet en saxofoon minstens zo’n belangrijke positie als de viool en de cello.

Deze nieuwe muziekcultuur ging ten koste van de ‘klassieke’ concertpraktijk. Verdi klaagde dat de orkesten in Parijs zo slecht en ongedisciplineerd waren, dat hij naar eigen zeggen ‘honderd’ repetities nodig had om zijn werk naar behoren te kunnen laten uitvoeren. De concertzalen werden ontmoetingsplaatsen voor de Parijse elite. Met vijf pauzes per concert kwam de muziek niet meer op de eerste plaats. Veel vioolbouwers moesten genoegen nemen met dalende inkomsten, anderen verlieten Parijs.

Claude Augustin Miremont vertrok in 1852 naar New York. Op uitvoerende musici uit Europa had Amerika een grote aantrekkingskracht. De New York Philharmonic en de Academy of Music bestonden voor het overgrote deel uit Europese musici. Er zaten veel Duitste vioolbouwers, maar geleidelijk werden ook Franse bouwers gewaardeerd. Claude Augustin Miremont kreeg al kort na zijn aankomst in New York voet aan de grond, dit in tegenstelling tot de meeste Franse bouwers die hem waren voorgegaan. In 1853 zat hij voor korte tijd nog op 44 Forsyth, maar van begin 1854 tot aan zijn vertrek in 1862 was zijn zaak gevestigd op 452 en 454 Broadway. ‘It is the most striking place in the United States. No other spot conveys so good an idea of the bustle and the stir of the great commercial city of America’, aldus Harpers Weekly in 1850. De eerste twee jaar stond hij ingeschreven als ‘violin maker’, daarna als ‘violin industrial’. De laatste omschrijving van zijn beroep suggereert dat hij op fabrieksmatige manier was gaan produceren, maar hij bouwde ieder instrument nog steeds met dezelfde minutieuze nauwkeurigheid als voor zijn komst naar Amerika. Zijn naam had hij inmiddels veranderd in ‘Mirmont’ dat in het Engels eenvoudiger uit te spreken was.

In 1853 werd in New York de ‘Exhibition of the Industry and Culture of All Nations gehouden’. Die volgde op de succesvolle Great Exhibition, twee jaar eerder, in Londen en was vooral bedoeld om de nationale trots van de jonge natie aan de wereld te laten zien.

Ondanks dat Claude Augustin Miremont nog maar één jaar in Amerika was, deed hij mee aan deze tentoonstelling. Voor zijn inzending kreeg hij een plaatsje in het Crystal Palace dat speciaal voor de gelegenheid was gebouwd. Hij exposeerde met violen, altviolen, een klein formaat of kamerbas en een contrabas, allemaal ‘in imitation of the Instruments of the 15th Century’, zoals de catalogus foutief vermeldde. Ruim een miljoen mensen trok de tentoonstelling. Een medaille won hij niet, maar in Parijs werd zijn naam genoemd als de belangrijkste Franse deelnemer.

Drie jaar later werd de wereldtentoonstelling in Parijs gehouden. De industriële en kunstzinnige exposities op de tentoonstelling werden door de Fransen gezien als superieur aan die van voorgaande tentoonstellingen. Ook aan deze tentoonstelling deed hij weer mee. Claude Augustin Miremont stond alleen niet vermeld op de lijst van de Franse deelnemers, maar op die van de Verenigde Staten. Dit keer won hij een eerste prijs. Voor Jean Baptiste Vuillaume was de ‘Grande Médaille d’Honneur’.

In 1862 keerde hij terug naar Parijs waar hij in de Rue Faubourg- Poissonière een zaak begon. Het zat direct naast het immens populaire café-concert en theater l’Alcazar en schuin tegenover het Conservatorium. De Société des Concerts du Conservatoire (voorloper van het Orchestre de Paris) organiseerde onafgebroken concerten in de zaal van het instituut waar 1200 mensen in konden. Het conservatorium was vooruitstrevend en had een bijzonder goede reputatie op het gebied van viool- en cello-opleiding.

Enkele maanden na de opening was hij al zover dat hij twee violen en twee cello’s kon insturen naar de Wereldtentoonstelling in Londen. En weer won hij een eerste prijs.

Dat herhaalde zich in 1867 op de Exhibition Universelle in Parijs, die met bijna tien miljoen kijkers en meer dan vijftigduizend exposanten, de grootste tentoonstelling ooit was. Daar won hij een zilveren medaille.

Drie jaar later maakte de Frans-Duitse oorlog het Miremont moeilijk om zijn werk te doen. Frankrijk verloor het conflict nadat Parijs maandenlang door de Duitse troepen belegerd was geweest. Niets kon de stad in of uit. De handel lag vrijwel stil. Als reactie op de overgave sloeg de Parijse Commune in 1871 hard toe. De opstand werd neergeslagen en er volgden massa-executies waarbij zo’n 30.000 mensen werden gedood. Daarbij werden ook nog eens rond de 40.000 Parijzenaars gevangen genomen. Wie het zich kon veroorloven verliet Parijs. Ook de grote vioolbouwers Vuillaume en Bernardel vertrokken. Het was vrijwel onmogelijk om instrumenten te bouwen, laat staan te verkopen. Vuillaume schreef over deze periode: ’Het is een wonder dat ik niet gewond geraakt ben en wat instrumenten betreft; ik heb niets te verkopen of te kopen’. Wat voor Vuillaume gold was voor Claude Augustin Miremont niet anders; toch bleef hij de hele turbulente periode in de stad.

De laatste keer dat Claude Augustin Miremont werk instuurde, was naar de wereldtentoonstelling in Parijs in 1878. Die werd gehouden ter ere van de wederopbouw na de Fans-Duitse oorlog en was weer groter dan de vorige wereldtentoonstellingen. Het was een evenement dat door dertien miljoen mensen werd bezocht en waar zestigduizend exposanten aan deelnamen. Net als op de tentoonstelling van 1867 behaalde Claude Augustin Miremont er een zilveren medaille.

Zijn beide medewerkers, die ieder eveneens een instrument hadden ingestuurd, kregen een eervolle vermelding. Gand et Bernardel wonnen de gouden medaille en kregen daarmee ook de uitnodiging om alle 80 instrumenten voor het nieuw te vormen orkest van het Palais du Trocadéro te bouwen. Het was een dermate grote opdracht dat ook andere bouwers voor Gand et Bernardel gingen werken. Claude Augustin Miremont was een van hen.

Rond 1878 verhuisde Claude Augustin Miremont nog van Rue Faubourg de Poissonière naar een statig gebouw op de Boulevard Faubourg Poissonière. Daar bleef Claude tot hij in 1884 stopte met werken. Hij stierf begin 1887 in Pontorson aan de Normandische kust. Daar hij geen opvolgers had, werden zijn gereedschappen en instrumenten enkele maanden na zijn dood geveild. Het grote veilinghuis Drouot in Parijs, gespecialiseerd in kunst en kostbaarheden, deed daar drie dagen over.

Zijn werk en in het bijzonder zijn cello’s worden zeer gewaardeerd om de voortreffelijke manier waarop ze gebouwd zijn en om hun klank.

Claude Augustin Miremont gebruikte twee etiketten:

Expositions Universelle de 1853-55-62-67/ quatre premier prix /

C.A. Miremont. Breveté S.G.D.G./ Paris an 187..
C. A. Mirmont, New York, Broadway 542, Année 185.”

C.A. MIREMONT/ fecit Parisiis / Anno Dni, 18..

Werk en invloed

Zijn eerste instrumenten bouwde hij in de traditionele stijl van Mirecourt, maar iets langer dan gebruikelijk. Zijn vernis was opvallend geel-oranje. Hij gebuikte hout met een brede ‘vlam’ en vaak een achterblad uit één stuk. Henley schreef over zijn vakmanschap: “.. hij vertoonde een opmerkelijke nauwkeurigheid in zijn werk; nog niet op het kleinste detail is iets aan te merken.’ Zelf was Miremont daar ook van overtuigd en claimde dat de klankkwaliteit van zijn instrumenten superieur was aan die van anderen uit zijn tijd, aldus Henley.

Later veranderde hij de kleur van zijn vernis in rood oranje, en gebruikte hij prachtig gevlamd hout voor het achterblad, waarvan de tekening meestal omhoog liep. In de laatste jaren van zijn loopbaan werd zijn lak steeds iets donkerder.

Bij Bernardel kwam Claude Augustin Miremont in aanraking met het werk van Stradivari en Guarneri ‘del Gesù’; instrumenten die hersteld of onderhouden moesten worden. Dat bood Claude de gelegenheid om ze gedetailleerd te bestuderen. Het inspireerde hem om eveneens instrumenten te gaan bouwen in hun stijl. Later voegde hij Gagliano aan zijn voorbeelden toe. Zijn vakmanschap is zijn hele leven verfijnd gebleven.

Nadat hij weer terug was uit Amerika, begon hij met het enige experiment dat van hem bekend geworden is. Een viool met twee stapels; twee in plaats van één stukje hout die de verbinding vormden tussen het onder- en bovenblad. Met een tweede stapel dacht hij de mogelijkheid gevonden te hebben om de klank versterken. Het experiment liep op een mislukking uit, maar dat weerhield hem er niet van om er een patent op aan te vragen. Op zijn etiket en briefpapier stond voortaan dat hij ‘Breveté S.G.D.G.’ was.

De klank van zijn instrumenten wordt door veel bespelers opmerkelijk verfijnd genoemd. De cellist Pierre Fournier was een groot pleitbezorger van Miremont. Hij beschikte over drie cello’s van hem en gaf zijn hele loopbaan de voorkeur aan zijn Miremonts, boven andere instrumenten.

Miremont heeft drie medewerkers gehad: T. A. Barbe, G. Carnault (1873-1882) en S.A. Deroux (1873-1884)

Beide instrumenten uit de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds zijn prachtige voorbeelden van wat hij in zijn laatste periode bouwde.

Bronnen

Milliot S. en Perrin N. 2017, Journée Européenne De La Lutherie. Cordes sur Ciel.

Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.

Millant B., Raffin J.F., (2000) l`Archet: les archetiers Francais 1750-1950. Paris.

Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers, Paris.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Jacquot A., 1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris.

Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2021.

Geneanet, geraadpleegd in 2021.

Cité de la musique/Musée de la musique, Violons, Vuillaume, un maître luthier français de XIXe siècle, 1998, Paris.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2021.

Archives de Musee de la Musique, geraadpleegd in 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
13 december 2021