Doorgaan naar content
bouwer

(Charles) Jean-Baptiste Collin-Mezin

*1841 , Mirecourt      †1923 , Parijs

Tot halverwege de achttiende eeuw maakten de meeste vioolbouwers hun strijkstokken zelf. N.L. Tourte was de eerste die zich specialiseerde en strijkstokkenmaker werd. De familieleden Collin-Mézin zijn lang meesters gebleven in beide takken. Zowel hun strijkinstrumenten als hun strijkstokken werden hoog gewaardeerd. Jean-Baptistes’ vader was getrouwd met Odile Mézin, die met familiegeld deelnam aan hun gezamenlijke bedrijf. Vanaf dat moment werden beide achternamen samengevoegd en stond ‘Collin-Mézin’ op alle catalogi.

Jean-Baptiste leerde het vak van zijn vader die in Brussel bij N.F. Vuillaume gewerkt had. Later verhuisde hij naar Parijs waar hij een eigen atelier begon. Zelf bouwde hij niet veel strijkstokken, maar liet ze maken door de beste strijkstokkenmakers van Frankrijk. Voor zijn bijdrage aan de vioolbouwkunst werd hij gekozen tot lid van de Academie des Beaux Arts.
Werkplaats(en)
Parijs, 1858-1860
Brussel, 1861-1865
Mirecourt, 1865-1867
Parijs, 1867-1903

Leven en loopbaan

Groot moet de verontwaardiging bij de familie Collin-Mézin geweest zijn toen het huis Laberte-Humbert in 1898 een nieuw handelsmerk deponeerde: ‘Jean-Baptiste Colin-Mezin’. Slechts met één letter verschil bracht Laberte instrumenten op de markt die niets met Jean-Baptiste Collin-Mézin te maken hadden. Wel geeft het goed weer hoe groot de onderlinge concurrentie was en hoe vrij sommige ondernemers in de vioolbouw met ethiek omgingen.

Bouwers van de familie Collin-Mézin hadden onder musici een goede naam; zelden vestigden zij de aandacht op zich, maar hun werk behoorde wel tot een categorie van buitengewoon verfijnde Franse vioolbouwers die de negentiende eeuw heeft voortgebracht.

Claude Nicolas Collin (1800-1863), vader van Charles Jean-Baptiste, was als vioolbouwer en maker van strijkstokken opgeleid in een van de vele ateliers voor vioolbouw in het stadje Mirecourt. Daar ontmoette hij Joseph Mézin (1789-1869), vioolbouwer en maker van strijkstokken. Bij hem werkte hij vermoedelijk enkele jaren. In 1823 liet Claude Nicolas zich registreren als eigenaar van een vioolbouw atelier in Mirecourt, maar vertrok enkele jaren later naar Brussel om bij Nicolas François Vuillaume (1802-1876) te gaan werken. Daar bouwde hij violen onder de naam N.F. Vuillaume, maar zette altijd zijn eigen handtekening aan de binnenkant van het instrument dat van zijn hand kwam.

Bij zijn eerste werkgever, Joseph Mézin, had hij diens dochter Odile (1818-1901) leren kennen. Nadat hij in 1841 weer terug was gegaan naar Mirecourt, trouwde hij met haar. Claude Nicolas had een slechte gezondheid. Zijn productie was niet groot en hij reisde veel om contacten met andere vioolbouwers te leggen. Zoals vaak in Mirecourt, nam de schoonfamilie deel aan het nieuwe bedrijf. Kennis en geld werden zo bij elkaar gevoegd. Echtgenotes werkten dan ook vaak mee in het gezamenlijke bedrijf. Ook door het huwelijk tussen Claude Nicolas Collin en Odile Mézin was dat het geval.

In het jaar van hun huwelijk werd hun zoon Charles Jean-Baptiste geboren. Later beschreef Jean-Baptiste hoe hij als klein kind op de werkbank werd gezet om mee te kijken naar de verrichtingen van zijn vader. Al op zijn zeventiende vond hij Mirecourt te klein voor wat hij voor ogen had. Zijn vader had over zijn vele tochten naar Parijs verteld en hoe groot daar de kansen voor vioolbouwers waren. En Charles Jean-Baptiste had de leeftijd om daardoor gefascineerd te worden. In 1858 deed zijn vader namens hem een aanvraag voor een ‘permis’ voor Parijs. Bij wie hij daar werkte is niet opgehelderd; de stad was volop in verandering en archieven van Parijs werden in die tijd nauwelijks bijgehouden. Wellicht door de onrust die volgde op de aanslag op Napoleon III in Parijs was hij twee jaar later, in 1860 al weer terug in Mirecourt.

Vuillaume, bij wie zijn vader in Brussel gewerkt had, stond inmiddels bekend als voortreffelijke vioolbouwer en had connecties in heel Europa. Door de goede betrekking tussen Vuillaume en zijn vader waren zijn kansen op succes daar groter dan in Parijs. In het zelfde jaar vertrok Jean-Baptiste naar Brussel en bleef ruim vier jaar bij Vuillaume werken.

In 1865 keerde hij terug naar Mirecourt om er in het huwelijk te treden met Rose Félicité Aubert (1842-1875). Hij opende een eigen atelier en ging daarnaast ook voor Nicolas Vuillaume diens ‘St. Cecilia’ instrumenten bouwen. Maar Parijs bleef toch trekken. In 1867 vestigde hij zich daar in het atelier dat toebehoord had aan Claude François Rambaut die weer teruggekeerd was naar Mirecourt. Hij bouwde er ondanks de moordende concurrentie een reputatie op als goede vioolbouwer, strijkstokkenmaker en reparateur. In 1875 werd zijn vrouw Rose ziek, keerde terug naar Mirecourt en overleed. Hun zoon Charles Louis was toen 5 jaar oud.

Lang bleef Charles Jean-Baptiste niet alleen. Een jaar na de dood van Rose Félicité hertrouwde hij in Parijs met Marie-Thérèse Nieu (1853-1880). Zijn zoon Charles Louis bleef achter bij zijn grootmoeder Mézin in Mirecourt. Vijf jaar duurde zijn huwelijk slechts. Marie-Thérèse stierf op haar 27e.

In Parijs groeide zijn klantenkring waaronder grote solisten met wie hij vaak langdurige vriendschappen onderhield. Allemaal waren ze vol lof over Jean-Baptiste’s instrumenten. Dat bracht hem er in 1878 toe om voor het eerst deel te nemen aan de grote wereldtentoonstelling in Parijs. Hij viel direct in de prijzen voor klank en uiterlijk. Ook in 1889 won hij zilver en in 1900 kreeg hij een gouden medaille voor de instrumenten die hij ingestuurd had.

In de loop van de jaren bouwde hij nog wel strijkstokken, maar het werden er steeds minder. Nu zijn ze zijn zeldzaam. Naarmate hij meer succes oogstte voor zijn violen, liet hij meer strijkstokken maken door anderen. Zijn eisen stelde hij hoog. Alleen de allerbesten kwamen in aanmerking om ze voor hem te maken.

Zijn inzet voor de Parijse vioolbouw bleef niet onopgemerkt. In 1884 werd hij gekozen tot lid van de Académie des Beaux-Arts. In die tijd het meest prestigieuze orgaan voor een conservatieve stroming in de kunst. Een rol die goed past bij de klassiek opgeleide en nog traditioneel werkende Charles Jean-Baptiste Collin-Mézin.

In 1889 bracht Maison Laberte-Humbert zonder overleg een serie violen op de markt onder de naam 'Jean-Baptiste Colin’. Doordat de naam als merk gedeponeerd was, zou een juridische strijd tegen Laberte-Humbert bij voorbaat kansloos zijn geweest. Jean-Baptistes’ zoon waarschuwde dat het vervalsingen waren, maar Jean-Baptiste zag er bij nader inzien het eervolle er wel van in. In de catalogus die Laberte-Humbert in 1905 uitbracht, stond dat de naam Jean-Baptiste Colin inmiddels wereldwijd bekend was geworden.

Toen Jean-Baptiste naar Parijs was gegaan, was zijn zoon Charles Louis in Mirecourt achtergebleven. Volgens Jacquot (1926) had Charles Louis een bijzondere aanleg voor het bouwen van violen en droeg hij voor een groot deel bij aan het succes van zijn vader op de Wereldtentoonstellingen van 1889 en 1900’. Enkele instrumenten die in 1900 in Parijs de Grand Prix hadden gekregen, werden zelfs gedeeltelijk door hem gebouwd. Jean-Baptiste had het vak met succes aan zijn zoon overgedragen.

Vanaf 1901 bouwde Jean-Baptiste nog enkele instrumenten en mogelijk een enkele strijkstok, maar twee jaar later stopt hij met werken. Charles Louis, zijn zoon, nam zijn werkplaats en zijn modellen over. Ondanks het feit dat Jean-Baptiste niet meer actief was, vermeldde Charles Louis nog tot 1912 in zijn catalogi dat het werk van zowel zijn vader als van hemzelf was. Jean-Baptiste bleef nog tot 1911 lid van de Academie des Baux Arts, daarna nam Charles Louis zijn plaats over.

Jean-Baptiste stierf in 1923 op 82 jarige leeftijd in Parijs. Zijn atelier is nog tot 1960 voortgezet door zijn nakomelingen.

Werk en invloed

Hoewel Jean-Baptist zich niet heeft onderscheiden als groot leermeester voor andere bouwers, is zijn invloed terug te vinden in het werk van Joseph Chipos-Vuillaume (1847-ca 1898), Paul Alexandre Mangenot (1862–1942), Gustave Bazin (1871–1920).

Het model van zijn strijkstokken is voornamelijk gebaseerd op dat van Voirin, het meest voorkomende model in die tijd. Later stond hij ruimhartig invloeden toe van de strijkstokkenmakers die voor hem werkten. Dat waren onder andere Charles Nicolas Bazin II (1847–1915) en Charles Louis Bazin (1802-1859), Eugène Cuniot-Hury (1861-1910), Emile François Ouchard (1872-1951), Louis Morizot père (1874–1957) en Victor Fétique (1872–1933) die veel strijkstokken voor hem gemaakte heeft.

Voor alle strijkstokken gold dat hij hoogwaardig pernambuco gebruikte of liet gebruiken en het vrijwel altijd voorzag van een zilveren montuur. De stokken waren voorzien van het stempel: ‘Collin-Mézin’.

Bronnen

Millant B., Raffin J.F., 2000, l`Archet: les archetiers Francais 1750-1950. Paris.

Vatelot E.,1976, Les Archets Français. Nancy.

Jacquot A.,1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris.

Henley W.,1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2020.

Geneanet, geraadpleegd in 2020.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2020.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
2 juni 2020