Doorgaan naar content
bouwer

Celeste Farotti (Farotto)

*1864 , Olivola di Monferrato      †1928 , Milaan

Celeste Farotti (geboren als Celeste Farotto) was van eenvoudige boeren afkomst. Op eigen kracht ontwikkelde hij zich in verbluffend korte tijd van rondreizende timmerman tot een uitstekende en gerespecteerde vioolbouwer. Daarnaast werd hij een vermaard kenner van oude instrumenten. Hij begon pas rond zijn dertigste aan zijn nieuwe loopbaan. Nadat hij zonder enige opleiding zijn eerste viool had gebouwd, werd zijn talent opgemerkt door de cellist Giuseppe Negri. Negri raadde hem aan om zijn werk als timmerman op te geven en zijn nieuw ontdekte aanleg verder te ontwikkelen. Daartoe verhuisde Celeste Farotti naar Milaan, waar hij zich bij Leandro Bisiach, die over een grote kennis van de internationale vioolbouw markt beschikte, oriënteerde op zijn loopbaan. Na enige tijd opende hij een eigen atelier waarin hij strijkinstrumenten bouwde en een handel in oude instrumenten begon. Hij won opmerkelijk snel de ene na de andere medaille voor zijn instrumenten.
Werkplaats(en)
San Germano, 1886-1900
Milaan, 1900-1924

Leven en loopbaan

Celeste Farotti werd in 1864 geboren als Celeste Farotto in Olivola Monferrato, een gehucht op de Po-vlakte, zo’n 100 km ten zuidzuidwesten van Milaan. Om te ontsnappen aan het armoedige bestaan als landarbeider trok hij al jong door de streek en oefende allerlei beroepen uit. Hij verhuisde later zelfs regelmatig om te gaan werken waar hij zijn brood maar kon verdienen. In San Giorgio werd hij timmerman om uiteindelijk in San Germano een eigen bedrijfje te beginnen. Celeste Farotti was niet alleen handig maar ook muzikaal; in zijn vrije tijd bespeelde hij verschillende instrumenten. Rond 1885 moet hij iemand ontmoet hebben die hem in aanraking bracht met strijkinstrumenten. Wie dat geweest is, valt niet met zekerheid te zeggen, maar de stad Casale Monferrato, waar Celeste Farotti op loopafstand vandaan woonde, was welvarend en had een actief muziekleven met een opvallend groot aantal amateur violisten. De grootste Italiaanse kenner van strijkinstrumenten, Cozio di Salabue (1755–1840) was eveneens uit Casale Monferrato afkomstig. Daar woonden ook enkele vermogende verzamelaars van strijkinstrumenten. De vioolbouwer Nicolo Bianchi (1847–1901) telde tenminste twee van hen onder zijn klanten.

In Casale Monferrato was ook de woonplaats van de man die later een belangrijke rol zou spelen in zijn loopbaankeuze, Leandro Bisiach (1864–1946). Het is zeer aannemelijk dat Celeste Farotti daar met Leandro Bisiach kennis gemaakt heeft; Bisiach speelde goed viool en was houtbewerker. Hij hielp zijn vader bij het maken van onderdelen van strijkinstrumenten en bouwde in 1886 zijn eerste viool in Casale Monferrato. Het muziekleven in Casale Monferrato, maar meer nog de ontmoeting met Leandro Bisiach, moet zo’n indruk op Celeste gemaakt hebben, dat hij in dat jaar al zijn eerste viool bouwde. In de daarop volgende jaren deed Celeste Farotti voornamelijk reparaties en bouwde in San Germano enkele violen en vermoedelijk ook enkele cello’s. Rond 1895 ontmoette hij bij toeval Giuseppe Negri. Negri was cellist bij La Scala in Milaan en had naam gemaakt als solist bij diverse orkesten. Na een bezoek aan Celeste’s werkplaats was de cellist onder de indruk van Celestes aanleg, vroeg hem een cello voor hem te bouwen en moedigde de bouwer, na beoordeling van het resultaat, aan om naar Milaan te komen. Daar zou hij zich te midden van andere vioolbouwers verder kunnen ontwikkelen.

Giuseppe Negri was niet alleen Celestes eerste opdrachtgever, maar hij vond ook een huis voor hem in Milaan. Negri deed nog meer; hij bracht Celeste in contact met Leandro Bisiach die een van de belangrijkste vioolbouwers van Noord-Italië was. Bij Bisiach werkten enkele uitstekende vioolbouwers die instrumenten in verschillende stijlen bouwden. Bisiach, die zelf een kenner en handelaar in kostbare instrumenten was, leerde zijn medewerkers om de belangrijkste kenmerken van meesterinstrumenten, waarvan er veel in zijn werkplaats voorbij kwamen, te herkennen. Celeste verbleef een jaar bij Bisiach om zich op zijn toekomst te oriënteren.

Zijn aarzeling was niet onterecht; na de hyperinflatie die de prijzen van alle levensmiddelen zo had opgedreven dat de meeste inwoners van de stad honger leden, brak er een oproer in Milaan uit. Daarbij vielen honderden gewonden en tientallen doden. Door de armoede lagen uitgaven voor muziekinstrumenten niet direct voor de hand. Celeste liet zich toch inschrijven in Milaan, maar door een schrijffout van een ambtenaar kwam hij niet in de archieven van de stad terecht onder zijn eigenlijke naam Celeste Farotto, maar het bleef, ook na daar bezwaar tegen gemaakt te hebben als Farotti te boek staan. Bij die fout legde hij zich de rest van zijn leven neer. Het mag moedig genoemd worden dat hij in 1900, ondanks de toenemende armoede en economische onzekerheid voor zichzelf begon. En niet alleen daarom; Leandro Bisiach had een groot deel van de markt in handen. Die beperkte zich niet alleen tot Noord-Italië, maar strekte zich ook uit tot ver daarbuiten. Onderzoekers vermoeden dat Bisiach hem in de eerste jaren dat hij voor zichzelf begonnen was, reparaties liet uitvoeren. Ook van kostbare instrumenten. Dat bood Celeste de gelegenheid om deze tot in detail te bestuderen.

Na drie jaar beschikte Celeste over voldoende kennis om instrumenten te gaan bouwen die een verrassende gelijkenis vertoonden met de meesterinstrumenten die hij in handen had gehad. Niet alleen hun uiterlijk, maar ook de klank verried zijn talent. Het feit dat er later in zijn atelier nauwelijks aantekeningen teruggevonden zijn, doet vermoeden dat zijn geheugen formidabel moet zijn geweest. Milaan was van oorsprong geen muziekstad zoals Venetië en geen stad van vioolbouwers als Cremona, maar een handelsstad. Het was een knooppunt was van binnen- en buitenlands handelsverkeer. Veel voorgangers van Celeste Farotti gebruikten de handelsroutes om hun eigen instrumenten, of die waarin zij handelden, elders in Europa aan de man te brengen.

Ook Farotti maakte daar gebruik van en vond langs deze weg een internationale klantenkring. Vanaf 1906 breidde hij zijn atelier uit met twee medewerkers; eerst met zijn broer Salvatore en later met Alfredo Lanini (1891 – 1956), een vioolbouwer die gestudeerd en enkele jaren gewerkt had bij Riccardo Antoniazzi (1853 – 1912), een andere voortreffelijke bouwer in Milaan. Lanini bleef bij Farotti werken tot hij in 1914 naar Amerika vertrok. Zonder enige twijfel heeft Celeste Farotti zijn voordeel gedaan met de kennis die Lanini bij Antoniazzi opgedaan had. Salvatore was timmerman en deed voor hem het ruwe werk. Zijn beste instrumenten stuurde Farotti in 1909 naar de internationale tentoonstelling van Milaan. Temidden van veel voortreffelijke inzendingen, waaronder van Bisiach en Antoniazzi won hij zijn eerste gouden medaille. Daarna zouden er nog veel medailles volgen; de belangrijkste won hij in Turijn (1911), San Francisco (1915) en in Rome (1917). Door de eerste wereldoorlog werden de grenzen gesloten zodat de handel in instrumenten stil kwam te liggen. In de vier oorlogsjaren kon hij zich helemaal toeleggen op het bouwen. Noodgedwongen moest hij dat alleen doen; zijn broer Salvatore ging het leger in en Lanini vluchtte, nog vóór de vijandelijkheden begonnen, naar Amerika. Ondanks de moeilijke periode werd het een productieve tijd voor Farotti. In 1924 kreeg Celeste Farotti een reumatische aandoening, ging ter verlichting naar de bergen, maar kwam tijdens een wandeling ten val. Mede door zijn verwondingen moest hij stoppen met werken. Vier jaar later stierf hij. Kort voor zijn dood schreef Celeste Farotti: ‘Vanaf 1900 toen ik naar Milaan kwam tot nu heb ik zoveel instrumenten verkocht dat ik niet bij benadering weet hoeveel’. En verderop in de zelfde brief: ‘er liggen in het atelier nog driehonderd violen; van oude tot nieuwe Italiaanse violen, oude en nieuwe altviolen (..) en nog zestig cello’s en vierentwintig contrabassen’. Doordat zijn administratie veel te wensen overliet is niet nauwkeurig vast te stellen hoe groot zijn oeuvre is. Geen enkele kenner heeft zich tot nu toe aan een schatting gewaagd. Celeste Farotti is nooit getrouwd geweest en had geen kinderen. Het atelier werd overgenomen door de zoon van zijn broer Salvatore, Celestino Farotti.

Werk en invloed

Ofschoon Farotti in Milaan werkte, bouwde hij niet naar de Milanese school. Zijn voornaamste voorbeelden waren Rocca (1847–1915) en Pressenda (1777–1854) die werkzaam waren geweest in Turijn en erg beïnvloed waren geweest door de Franse school. Daarnaast bouwde hij talloze kopieën van andere bouwers, sommige nauwkeurig, andere uit elementen van verschillende andere bouwers samengesteld. Blot zegt daarover dat hij dat ‘eclectisch maar smaakvol’ deed. Verder bouwde hij onder meer naar Guadagnini (1711 – 1786), Gagliano (c. 1710 – 1785), Testore (1693 – c. 1765) en Landolfi (c. 1710 – 1784).

Veel Europese dealers waren in de voorgaande jaren naar Italië gekomen om voor weinig geld oude meesterinstrumenten te kopen, maar die waren steeds moeilijker te vinden. Alleen belangrijke kenners en handelaren zoals Bisiach en Farotti beschikten daar nog regelmatig over. In zijn autobiografische notities schreef hij: ’Mijn antiek uitziende violen en cello’s kon ik veel gemakkelijker verkopen dan de andere. Als ik niet wist dat ik ze zelf gebouwd had, zou ik denken dat ze echt waren’. Zelf bezondigde hij zich waarschijnlijk niet aan die handel, want hij voorzag zijn instrumenten altijd van zijn eigen etiket. Maar in 1924 hij schreef wel dat zijn vermoeden dat ze als ‘echt’ doorverkocht werden waar bleek te zijn. Die instrumenten brachten, met een vals etiket van een vroege meesterbouwer, veel meer op dan een ‘Farotti’.

Onder de kopers van Celeste’s ‘antieke’ instrumenten was Leandro Bisiach. Celeste Farotti’s passie voor oude instrumenten was oprecht; hij bewonderde oude meesters van wie hij instrumenten buitengewoon vakkundig en liefdevol kon restaureren. Sommige kopieerde hij; niet vanwege het gewin, maar om hun schoonheid van uiterlijk en klank. De bekendste voorbeelden daarvan zijn zijn ‘Pressenda’s’. Om dezelfde reden als hij ze gekopieerd had zijn deze instrumenten nu zéér gezocht. Van hem is ook bekend dat hij eeuwenoude balken uit vervallen gebouwen gebruikte. En niet alleen om daar instrumenten van te maken die er oud uit moesten zien.

Het oude hout bezat klankkwaliteiten die nieuw hout nog niet bezat. Zijn houtkeuze was voortreffelijk. Gebruikte hij in zijn beginjaren soms nog eenvoudig populierenhout dat in de omgeving werd gevonden, een gebruik dat vooral in de Piemonte vaker voorkwam, later koos hij ook voor duurder en mooi gevlamd hout. Zijn instrumenten werkte hij af met een prachtige goudgele lak na lang geëxperimenteerd te hebben met een intens rood-bruine lak die eigenlijk te hard was. In de loop van de jaren groeide het zelfvertrouwen van Farotti. Zijn werk werd snel en trefzeker. Afdrukken van zijn gereedschap bleven op meerdere punten zichtbaar.

Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is vermoedelijk gebouwd kort vóór zijn inzending naar de tentoonstelling van Milaan waarmee hij een gouden medaille won. Het is een instrument dat vele jaren voor een ‘Pressenda’ door is gegaan, maar waarvan recent is vastgesteld dat het gebouwd is door Celeste Farotti.

Bronnen

Bishop S., 2013, The Strad Special Edition, Londen.

Kass P. J., 2007, The Bisiach Family, Londen.

Azzolina U., Italian Violin Making in the 1800s and 1900s, Milaan.

Codazzi R., 2002, La Liuteria Lombarda del 1900, Brescia.

Blot E., 1994, Emilia e Romagna. Un secolo di liuteria italiana, 1860-1960, Cremona.

Vannes, R., 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers, Brussel.

Brinser M., 1978, Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers.

Henley W., 1969, Universal Dictionary of Violin & Bow Makers. Brighton.

Iviglia G., 1953, Artikel over van Celeste Farotti met diens ‘memoires’.

The Cozio archive, Tarisio, bezocht in 2020.

Archiviodistatomilano, bezocht in 2020.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
3 augustus 2020