
viool
Ernst Jan Vos

*1714 , Baveno †± 1787 , Milaan

Carlo Ferdinando Landolfi werd geboren in Baveno, 75 km ten noordwesten van Milaan, een plaats waar in de wijde omtrek geen vioolbouwer van enige naam te vinden was. Wat hij tot zijn veertigste gedaan heeft weten we niet, maar hij had al voor zijn komst naar Milaan geleerd om strijkinstrumenten te bouwen op een manier die veel weg had van de Cremonese bouwstijl. Sommige kenners menen de invloed van de jonge Pietro II Guarneri bij Landolfi te zien. Ook is de invloed van de Duitse vioolbouw in zijn werk onmiskenbaar aanwezig. Dat zou erop kunnen duiden dat hij bij een van de vele Duitse vioolbouwers in het zuiden van de Piemonte in de leer is geweest. Rond 1729 trouwde hij en een jaar later werd zijn zoon, Pietro Antonio geboren (1730-1795).
De streek rondom Milaan was tot 1749 het toneel geweest van gevechten tussen de legers van de Frans/Spaanse overheersers en het aanstormende Oostenrijkse leger. De stad was geïsoleerd geraakt, economisch geplunderd en verzwakt. Van de trotse vioolbouwfamilie Grancino, die de grondlegger was van de Milanese school, en van hun opvolgers, de eerste generatie Testore, was maar weinig overgebleven. Over de Milanese vioolbouwers in die tijd was Hill in 1901 niet bepaald lovend: ‘..they were just cheap-jacks’, wat zoveel wilde zeggen als ‘vioolbouwers uit Milaan maakten instrumenten van inferieure kwaliteit’. Nadat de rust in de streek weer was teruggekeerd, ging Landolfi naar Milaan.

De slag bij Piacenza, Karl von Blaas
Daar had zich nét Giovanni Battista Guadagnini uit Piacenza gevestigd. Bij Piacenza, dat iets ten zuidoosten van Milaan lag, had kort ervoor een strijd gewoed waarbij meer dan 17.000 gewonden waren gevallen. In de stad werkten Lorenzo Guadagnini (1685–1746) en zijn zoon Giovanni Battista (1711-1786), een van de grootste vioolbouwers van de achttiende eeuw. Voor Giovanni Battista waren de voortdurende schermutselingen vermoedelijk de aanleiding om te gaan reizen. In zijn geboortestad had hij negen jaar lang uitstekende violen gebouwd en een persoonlijke stijl ontwikkeld. Zijn vader had bij Antonio Stradivari gewerkt en diens kennis aan hem overgedragen. Over Lorenzo en Giovanni Guadagnini schreef Hill in 1948 aan Max Möller dat de viool die hij van hen gezien had een van de mooiste exemplaren was die hij onder ogen had gehad. Toen de oorlog in 1749 voorbij was en de nieuwe overheersers onder Maria Theresia van Oostenrijk Milaan een grote mate van vrijheid verleenden, vertrok G.B. Guadagnini daar naartoe, enkele maanden later gevolgd door Carlo Ferdinando Landolfi.
Landolfi vestigde zich in de buurt van Guadagnini, maar ging naar aangenomen wordt enige tijd bij Paolo Antonio Testore werken. Testore was echter een slordige bouwer. Kenners uit die tijd spraken nogal minachtend over zijn werk. Paolo’s haastig geconstrueerde instrumenten, gemaakt van goedkope materialen pasten niet bij de opvattingen van Landolfi. Hij nam dan ook vrijwel niets van hem over.
Afbeelding uit K. Jalovec, Italian violin makers, New York 1958
Zijn verblijf bij Testore heeft niet lang geduurd. Hij opende een eigen werkplaats in de buurt van de Via Santa Margherita en noemde het "al Segno della Sirena”. Een echt serene stilte zal het er niet geheerst hebben want het lag in het drukste deel van de stad. Zijn zoon Pietro Antonio ging bij Testore in de leer.
Onder de vorige Maestro’s di Cappella was de kathedraal van Milaan een plaats geworden waar strijkinstrumenten een belangrijke rol in de kerkmuziek hadden ingenomen. Hoewel kerkmuziek nog steeds een belangrijke plaats in het muziekleven innam, was er in Milaan ook een toenemend aantal kleine gezelschappen van profane amateurmusici ontstaan die zich ontwikkeld hadden tot orkesten en op hoog niveau speelden. De vraag naar goede violen en cello’s nam daardoor sterk toe. Het waren de violen en cello’s van Landolfi en Guadagnini die meer aan de vraag naar goede instrumenten tegemoet kwamen dan die van Paolo Testore.
Landolfi moet tegen Giovanni Battista Guadagnini opgekeken hebben. Guadagnini was een eenvoudige, ruwe man, maar met een enorme ervaring waar zijn vaders vakkennis uit de tijd dat hij bij Stradivari werkte nog in doorklonk. Ze hebben elkaar vermoedelijk goed gekend en Guadagnini heeft Landolfi zeker beïnvloed, maar samen hebben ze ook elementen van anderen overgenomen. Zo gebruikten ze beiden in 1755 ineens een dikke, glanzende rode lak. Ook een groter patroon voor viool en cello dan in Milaan gebruikelijk was deed bij beide bouwers gelijktijdig zijn intrede. Na acht jaar in Milaan gewerkt te hebben vertrok Guadagnini weer. Landolfi werd vanaf dat moment de belangrijkst bouwer van Milaan en werd beschouwd als het hoofd van het broederschap van vioolbouwers in die stad.

Teatro alla Scala
In de laatste jaren van zijn leven zag Landolfi de stad opleven. De stad kreeg een academie voor schone kunsten en wetenschappen, maar het hoogtepunt was wel de bouw van het Teatro alla Scala in 1778 met ruim 3000 zitplaatsen. Het lag aan de Via Santa Margherita, op steenworp afstand van zijn atelier. Door ‘la Scala’ trokken grote aantallen van de beste musici van ItaIië naar de stad. Milaan behoorde ineens tot één van de voornaamste steden voor opera van Italië.
Landolfi was een harde werker; zijn oeuvre was vermoedelijk dan ook vrij groot. Het juiste aantal is niet bekend daar er in de negentiende eeuw talloze vervalsingen op de markt kwamen.
Vanaf 1755 tot 1760 was Pietro Giovanni Mantegazza (ca. 1730-1803) zijn leerling en medewerker. Carlo Ferdinando Landolfi stierf in 1787. Zijn zoon Pietro nam het atelier over. Het niveau van Pietro bereikte echter nog niet bij benadering dat van zijn vader. Zijn instrumenten werden op grote schaal naar Engeland en Amerika geëxporteerd. Carlo Ferdinando Landolfi wordt beschouwd als de belangrijkste Milanese bouwer in de achttiende eeuw.
(Zeldzame) contrabas uit de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds
De eerste instrumenten die van Landolfi bekend zijn, vertonen een hoge welving. Daarmee vergrootte hij het volume maar hield zich voor wat het model betreft grotendeels aan afmetingen van de Cremonese meesters. Daarmee week hij af van de Milanese school van Giovanni Grancino (1637-1709) en diens navolgers. In de eerste jaren was zijn werk nog niet erg consistent. Naast de invloeden van Guadagnini zijn die van Stainer nog enige tijd terug te vinden in zijn werk. Van Paolo Antonio Testore (1700-1767) had Landolfi al vrijwel direct afstand genomen. Wel nam hij de geprononceerd afgewerkte randen over, zoals Paolo’s vader die maakte.
Al in 1752 bereikte hij met een viool die hij in dat jaar bouwde een zeer indrukwekkend niveau; voortreffelijk gebouwd, zorgvuldig afgewerkt en voorzien van een schitterende lak. De invloed van Guadagnini bleef na diens vertrek uit Milaan duidelijk zichtbaar in het werk van Landolfi. Hij perfectioneerde zijn manier van werken nog verder en werkte uitsluitend met de beste materialen die hij kon vinden. Vanaf 1765 werden de c-bochten langgerekter en de welvingen minder hoog. Hij gebruikte niet meer de rode, dik opgebrachte lak, maar koos voor een heldere kleur oranje-geel.
Voor zijn cello’s gebruikte hij een kleiner model dan in die tijd gebruikelijk was. Tot op late leeftijd wist hij zijn hoge niveau van werken vol te houden; pas rond 1775 vertoont zijn werk de eerste tekenen van zwakte. De krul is minder trefzeker gemaakt en ook de randinleg wordt minder zuiver. Landolfi bouwde voornamelijk violen en een klein aantal altviolen en cello’s. Daarnaast heeft hij ook enkele contrabassen van groot formaat gebouwd, waarvan er nog slechts twee bestaan. Eén van deze twee zeldzame bassen is in het bezit van Het Muziekinstrumentenfonds.
I Percorsi di Giovanni Battista Guadagnini, 1999, Cremona.
Chiesa C., 1996, Violinmakers at the Contrada Larga in Milan.
Kass P. J., 1989, Snaarinstrumenten van de Milanese vioolbouwers van de Contrada Larga.
Santoro E., 1989, Violinari e violini, Cremona.
Blot E., Liuteria Italiana IV - Piemonte, 2001,
Tarisio, Cozio archive, bezocht 2020
Instituto Treccani, bezocht in 2020