Carlo Antonio Testore
*±1687 , Milaan †1765 , milaan
Vanaf 1660 waren de Grancino’s van de ongeveer 15 vioolbouwers die Milaan telde veruit de belangrijkste. Giovanni Battista had een groot atelier met meerdere medewerkers aan de Contrada Larga. Grancino had Carlo’s vader als leerling aangenomen, maar omdat die het vak al bleek te beheersen, werd hij vrijwel direct zijn medewerker.
Waarschijnlijk woonde Carlo’s vader enige tijd in bij de vioolbouwer Bartolomeo Pasta, vlakbij de werkplaats van Grancino. Ca.1686 trouwde zijn vader en begon voor zichzelf.

Vioolbouwers rond de Contrada Larga
Giuseppe Testore richtte een werkplaats in in de voormalige drukkerij van Giovanni Antonio de Antoni, "Al segno dell’Aquila", aan de Contrada Larga. Dat was een brede doorgangsstraat aan de rand van het doolhofachtige, middeleeuwse centrum van Milaan. Op korte afstand lagen de Dom en het paleis van de aartsbisschop en kardinaal. Honderden gelovigen en pelgrims kwamen er jaarlijks door de straat op weg naar het religieuze heiligdom, de San Bernardino alle Ossa. Daarnaast was de Contrada Larga de vaste verzamelplaats voor de elite die de opera bezocht in het nabijgelegen Teatro Regio Ducale.
De Contrada Larga en de straatjes eromheen waren het centrum van de Milanese vioolbouw. Daar zaten de werkplaatsen van Grancino, Mantegazza, Lavazza en andere vioolbouwers. Winkels en werkplaatsen waren niet genummerd, maar droegen namen die met een uithangbord werden aangegeven.
Sommige bronnen noemen 1687 als het geboortejaar van Carlo Antonio, andere drie jaar later. Dat soort tegenstrijdigheden is typisch voor de Milanese archieven uit die periode.
Vioolbouw in Milaan
Milaan was eind zeventiende, begin achttiende eeuw meer een stad van de handel dan van de vioolbouw. Een lange traditie met belangrijke bouwers had het niet. De Milanese school was pas begonnen bij de vader van Giovanni Battista Grancino.
De vioolbouwstijl liep in die tijd uiteen tussen die van Bartolomeo Pasta en Grancino. Pasta had in Cremona bij Nicolò Amati het vak geleerd en werkte verfijnd, terwijl Grancino geen affiniteit had met het Cremonese raffinement van Amati of Stradivari. Grancino leek het ruwere werk van Guarneri del Gesù aan te spreken.
Afgaand op zijn instrumenten leek Carlo’s vader in het geheel niet door Pasta te zijn beïnvloed, maar des te meer door Giovanni Grancino
Rond 1700 werd de broer van Carlo Antonio, Paolo Antonio geboren. Ook hij werd door hun vader opgeleid en samen werkten ze in hun eigen werkplaats aan de Contrada Larga.
‘Onder het Habsburgse gezag kwam ereen periode van grotere stabiliteit en werd Milaaneen van de belangrijkste culturele centra vanNoord-Italië’
Een stad in transitie: van de Bourbons naar de Habsburgers
Carlo Antonio’s jeugd viel samen met een periode waarin Milaan een ingrijpende politieke en economische verandering doormaakte. De stad telde zo’n 120.000 inwoners en had bijna anderhalve eeuw in het Frans Spaanse rijk van de Bourbons gelegen.
In 1706 namen de Oostenrijkse troepen de stad in. Voor Carlo Antonio en zijn broer betekende dit dat vrijwel hun gehele werkzame leven zich afspeelde onder de Habsburgers van Wenen. Milaan werd dynamischer, eleganter en welvarender dan voorheen.

Milaan ca. 1730, Matthäus Seutter
Het drama van 1709 en de groei van de Testore dynastie
De sfeer onder de Milanese vioolbouwers was niet altijd even best. Uit bewaarde rechtbank- en gildeverslagen blijkt dat er hevige ruzies waren binnen het gilde waar de vioolbouwers onder vielen. De gevestigde meesters protesteerden vaak fel tegen de toelating van nieuwkomers. Daarnaast moesten rechters regelmatig tussenbeide komen om onderlinge meningsverschillen te beslechten.
Zo ook tussen Giovanni Battista Grancino en zijn buurman Antonio Maria Lavazza. Tussen hen speelde jarenlang een conflict dat al enkele keren in vechtpartijen was ontaard. Rond Carlo Antonio’s twintigste leidde zo’n vechtpartij onbedoeld tot de dood van Lavazza. Grancino werd daar in 1709 voor ter dood veroordeeld. Hij vluchtte en dook onder. Hoewel Grancino’s zonen doorgingen met de werkplaats, werden de Testores de belangrijkste vioolbouwers van de stad tot zij in 1749 serieuze concurrentie kregen.
Groei van de muziekcultuur
Onder het Habsburgse gezag kwam er een periode van grotere stabiliteit en werd Milaan een van de belangrijkste culturele centra van Noord-Italië. De stad lag op het kruispunt van handelsroutes tussen Italië, Zwitserland, Zuid-Duitsland en Oostenrijk en profiteerde van een levendige handel in zijde, textiel en luxe goederen. Milaan groeide in enkele jaren uit tot 130.000 inwoners.
Doordat Milaan rijker en commerciëler was dan veel andere Noord-Italiaanse steden, groeide de middenklasse, kwamen er meer beroepsmusici en een markt voor betaalbare instrumenten. De muziekcultuur raakte internationaal georiënteerd. De musici van de theaterorkesten, kerkkapellen en aristocratische ensembles speelden op hoog niveau.

Teatro Regio Ducale, gravure Marco Antonio del Re, 1747
Opera, kerk en Sammartini
Het muzikale hart in de stad was het oude Teatro Regio Ducale, de voorloper van La Scala. Dit theater bevond zich naast het hertogelijk paleis en was tot 1776 hét centrum van de Milanese operacultuur. Men ging echter niet alleen naar de opera voor de muziek. In de loges werd gekaart, gegeten, geroddeld en aan politiek gedaan. Instrumenten moesten ook in deze onrustige omgeving hoorbaar blijven.
Een belangrijke impuls kwam van de aristocratie. Families als de Borromeo, Litta, Visconti en Belgiojoso onderhielden eigen musici, organiseerden concerten voor een besloten publiek en waren de financiers van het Teatro Regio Ducale. Daarnaast ontwikkelde de opera zich tot een geliefde vorm van vermaak voor iedereen.
De violen en cello's van de Testores stonden bekend om hun krachtige, dragende toon, wat belangrijk was voor de muziek die Sammartini componeerde
Giovanni Battista Sammartini was de spil van het muziekleven in Milaan. Hij was net iets jonger dan Carlo Antonio maar al vroeg een gevierde maestro di cappella in zeker acht kerken. Hij componeerde niet alleen, hij selecteerde daarnaast ook de musici voor het prestigieuze ‘Cappella musicale del Duomo’. Muziek was er ook dagelijks in de kloosters en religieuze instellingen die de stad rijk was. Hierdoor bestond een voortdurende vraag naar kwalitatief goede violen, altviolen, cello's en contrabassen. De Milanese elite hield van de nieuwe, energieke en instrumentale stijl waarin Sammartini componeerde.

Muziekstuk gecomponeerd voor de Cappella Musicale del Duomo, uit het archief van de 'Veneranda Fabbrica del Duomo'
Sammartini en Carlo Antonio Testore hebben elkaar ongetwijfeld gekend. De componist speelde naast zijn werk als maestro di cappella ook een grote rol in de ontwikkeling van de symfonie in ‘galante’ stijl. In deze nieuwe muziekstijl speelden de strijkers een prominente rol. Carlo Antonio bouwde instrumenten die geschikt waren voor deze veranderende muzikale wereld. De violen en cello's van de Testores stonden bekend om hun krachtige, dragende toon, wat belangrijk was voor de muziek die Sammartini componeerde. Zijn instrumenten waren niet alleen geschikt voor solisten, maar ook voor kerkelijke musici, theaterorkesten, reizende beroepsmusici en amateurs.
Uitbreiding van de werkplaats
In 1724 werd Carlo Antonio’s eerste zoon Giovanni geboren. Hij werd in de familiewerkplaats opgeleid en bleef daar zijn hele leven werken.
Carlo Antonio’s vader overleed rond 1737. Beide broers zetten het atelier voort en maakten het tot een efficiënte werkplaats met meerdere leerlingen en medewerkers. Carlo Antonio was een productievere bouwer dan zijn vader, maar ook een minder consciëntieuze vakman. Giovanni kwam niet tot een eigen productie, waarschijnlijk omdat hij in 1765, op 41 jarige leeftijd overleed.
‘In 1749 kreeg Carlo AntonioTestore er twee grote concurrenten bij; GiovanniBattista Guadagnini en Carlo FerdinandoLandolfi’
Nieuwe concurrentie
Op de 125.000 inwoners van Milaan waren er zo’n 15 vioolbouwers. De markt was krap en de concurrentie binnen de stad groot. Daarnaast waren bouwers uit Cremona en Brescia bij de elite van Milaan geliefd. Slechts een enkele Milanese vioolbouwer kon van zijn vak leven.
Na de veroordeling van Grancino waren de Testores de belangrijkste vioolbouwers in Milaan. In 1749 kreeg Carlo Antonio Testore er twee grote concurrenten bij; Giovanni Battista Guadagnini en Carlo Ferdinando Landolfi. Beiden vestigden zich op een steenworp van de Testores.
Door de zorgvuldigheid waarmee zij hun instrumenten bouwden en door hun contacten met de meer welgestelde Milanezen, kwamen hun klanten al snel uit die kringen. Meer dan honderd violen en zes cello’s bouwde Guadagnini in de elf jaar dat hij in Milaan zat. Carlo Ferdinando Landolfi bereikte al in 1752 een indrukwekkend niveau met instrumenten van fraai gevlamd hout, voortreffelijk gebouwd, zorgvuldig afgewerkt en voorzien van een indrukwekkende goudgele lak.
Vanaf die tijd lijkt Carlo Antonio minder instrumenten gebouwd te hebben, ook nam de kwaliteit ervan wat af. In 1765 stierf eerst Giovanni en later dat jaar Carlo Antonio. Paolo zette de werkplaats door tot zijn dood in 1767.
Altviool C.A. Testore, 1753. Foto met dank aan Martin Sonnenberg
Laatste jaren
De meest productieve jaren van het familieatelier lagen tussen 1718 en 1745, waarin zowel Carlo Antonio, zijn vader, zijn broer als zijn zoon meewerkten. Zowel Antonio als Paolo bouwden hun instrumenten in hun gezamenlijke werkplaats, maar verkochten ze onder eigen naam, Antonio vanaf 1710 en Paolo vanaf 1720.
Dat Paolo in 1732 een zoon kreeg, is goed gedocumenteerd. Deze Pietro Antonio Testore leerde het vak van vioolbouwer waarschijnlijk ook in de 'Al segno dell’Aquila’, maar of en hoe lang hij daar heeft gewerkt is niet vastgelegd. Gezien het feit dat er van hem slechts twee altviolen met een handgeschreven etiket uit 1764 en 1780 bekend zijn, heeft Pietro Antonio Testore geen eigen werkplaats gehad. Met zijn dood eindigde de Testore dynastie rond 1800. Daarmee behoort de familie Testore tot de langst werkzame dynastieën binnen de Milanese vioolbouw.
In de loop van de jaren blijken er enkele instrumenten van Carlo Antonio Testore aangepast te zijn tot ze leken op die van Giuseppe Guarneri del Gesù. Labels werden vervangen, krullen opnieuw gevormd en f-gaten aangepast.

Altviool C.A. Testore, 1753. Foto met dank aan Martin Sonnenberg
Carlo Antonio brandmerkte zijn werk aan de binnenkant met ‘C. A. T.'
Carlo Antonio Testore, filius Carlo Giuseppe in Contrada larga al segno dell’Aquila, Milaan 1741
Carlo Antonio Testore figlio Maggiore / del su Carlo Giuseppe in contrada / larga al segno dell’Aquila, 1753
Carlo Antonio e Giovanni padre e figlio Testori / in Contrada larga al segno dell’Aquila / Milaan, 1764
Ontwikkeling in model, constructie en afwerking
Carlo Giuseppe Testore had de familienaam gevestigd, Carlo Antonio had deze groot gemaakt. Hij breidde de werkplaats uit waar, op het hoogtepunt van hun succes, vermoedelijk ieder familielid een eigen lijn van instrumenten bouwde, bedoeld voor verschillende budgetten en klankbehoeftes van musici.
Aanvankelijk gebruikte hij nog de modellen zoals zijn vader, later werden ze persoonlijker met meer robuuste contouren en een iets groter formaat met een hogere welving. In de vroegste periode voorzag hij zijn beste instrumenten nog van zorgvuldig gesneden krullen, vloeiende lijnen, goede afwerking en een randinleg; rond 1730 namen de meer pragmatisch gebouwde instrumenten toe. Had zijn vader voornamelijk prachtig hout gebruikt voor zijn beste en duurste werk, Antonio en zijn zonen gebruiken voor het achterblad eenvoudiger hout, minder gevlamd en soms zelfs geen esdoorn, maar hout van plaatselijke herkomst. Het bovenblad maakte hij vrijwel altijd van hout uit de alpen (Picea abies), vaak uit één stuk, met de fijne nerven aan de hoge kant van het instrument en de brede aan de baskant.
De hals en het bovenblok waar deze aan was bevestigd, bestond bij de Testores uit twee delen. Dit in tegenstelling tot de voor die tijd gebruikelijke constructie waarbij de hals een vast onderdeel uitmaakte van het corpus. De hele manier van bouwen in het Testore atelier was gericht op efficiëntie, snelheid en sterkte.
W.G. Hill over de Testore familie: het zijn “Milanese cheap jacks” (prutsers) en in de voetnoot: maar ze bezitten wel “exceptional tonal qualities”.
Net als zijn vader, paste Carlo Antonio twee duidelijk verschillende recepten voor zijn lak toe: een donkere, roodachtige lak die weinig transparant en zacht was. En een licht goudgele lak, harder en helder. Instrumenten met deze twee soorten lak verschillen ook in klank-helderheid van elkaar. De gele lak werd gebruikt voor de betere instrumenten. Later gebruikte hij voornamelijk de goudgele lak, ook voor de eenvoudigere instrumenten. Vooral bij cello’s kwamen wilgen- of perenhout voor in plaats van mooi gevlamd esdoorn. Zijn constructies zijn robuust, licht van gewicht en hadden een directe, krachtige toon die bijzonder geschikt bleek voor het intensieve gebruik in kerken en theaters.
De instrumenten van Carlo Antonio missen vaak een randinleg op het achterblad; in plaats daarvan kraste hij lijnen en kleurde die in. Wanneer hij wel een randinleg maakte, gebruikte hij beukenhout.
Rond 1730 liet hij soms de achterkant van de knoppenkast vlak en de groeven liet hij weg. De krullen vertoonden een uitgesproken ovale, langgerekte vorm, vaak asymmetrisch. Niet zelden liet hij de afdrukken van de beitel staan. De f-gaten leken wat op die van Stradivari of Amati, maar waren ook vaak breed en energiek gesneden en minder verfijnd dan die uit Cremona en ze hadden kleine, niet-gewelfde vleugels.
Bronnen
Giordano, A., 2003, The Journeys of Giovanni Battista Guadagnini, 1999, Cremona
Chiesa C., 1996, Violinmakers at the Contrada Larga in Milan, Journal of the Violin Society of America, XIV
Kass P. J., 1989, String instruments of the Milanese violinmakers at the Contrada Larga
Santoro E., 1989, Violinari e violini, Cremona
Blot E., 2001, Liuteria Italiana IV - Piemonte
Tarisio, Cozio archive, bezocht 2026
Instituto Treccani, bezocht in 2026
Journal of the Violin Society of America, Vol. XIV, No. 3, Philip J. Kass, The Queens College Press, Flushing, NY
Salabue E., Three Centuries of Italian Violin Making, Rome
- Auteur
- Jan Boekhout
- Datum
- 25 juli 2026