Doorgaan naar content
bouwer

Camillo Camilli

*1703 , Mantua      †1754 , Mantua

De vioolbouwer Pietro Guarneri ‘van Mantua’ was al op leeftijd toen Camillo Camilli in die stad geboren werd. De indruk die de oudste zoon van Andrea Guarneri op Camillo gemaakt heeft, moet zo groot zijn geweest dat zijn werk enige tijd nogal op dat van Pietro Guarneri ging lijken.

Camillo Camilli werd in 1703 geboren in Mantua waar Pietro Guarneri sinds 1685 als violist en vioolbouwer aan het hof werkte. Daar er al vanaf 1690 niemand in Mantua meer om Pietro Guarneri heen kon, heeft Camillo zijn werk ongetwijfeld gezien en vermoedelijk in zijn jong jaren stage bij hem gelopen. De vioolbouwer bij wie Camillo langer in de leer ging, was Antonio Zanotti. Hij was Pietro Guarneri als vioolbouwer aan het hof opgevolgd en had een eigen stijl ontwikkeld. Al voor 1730 was Camillo zijn leermeester echter in verfijning voorbij.

Hij bleef echter gefascineerd door de Cremonese meestervioolbouwers en liet zich door Andrea Guarneri en Nicolò Amati inspireren voordat hij een eigen herkenbare stijl ontwikkelde.
Werkplaats(en)
Mantua, ±1720-1754

Leven en loopbaan

De Gonzaga’s uit Mantua speelden al sinds de helft van de vijftiende eeuw een belangrijke rol in het stimuleren van wereldlijke muziek bij een groot publiek. Vincenzo Gonzaga, hertog van Mantua en Montferrato had Claudio Monteverdi in 1601 ontmoet en hem aangesteld aan zijn hof, eerst als altviolist en later als componist. Met deze aanstelling ging hij op dezelfde voet voort wat zijn grootvader al in 1480 deed; ruimte bieden aan de beste musici en componisten van Italië. Dat was het begin van een periode waar Mantua op muzikaal gebied boven de meeste Italiaanse steden uit kon klimmen. De stad had zelfs een ‘Academia dei Timidi’ waar vocale en instrumentale muziek gedoceerd werd. De stroming die met Monteverdi’s opera ‘La Favola d’Orfeo' uit 1607 begonnen was kon alleen met de beste zangers en de beste instrumenten uitgevoerd worden.

Aan goede instrumentenbouwers was er in Mantua geen gebrek. Zij hadden hun kennis niet zozeer geput uit een lokale traditie, maar overgenomen van de ‘viol’- en luitbouwers uit Füssen. Die vakgenoten hadden aan het eind van de zestiende eeuw hun stad aan de voet van de Alpen verlaten, waren uitgezwermd over Noord-Italië en neergestreken in Cremona, Venetië, Brescia en Mantua. De Füssense bouwers waren meesters in hun vak. Hun opleiding was streng gereglementeerd en het duurde jaren voordat zij voor zichzelf mochten beginnen.

Aangetrokken door Mantua’s culturele weelde was Pietro Guarneri, de oudste zoon van Andrea Guarneri uit Cremona, rond 1785 naar Mantua gegaan en had zich gevestigd aan de Contrada del Monte Negro, niet ver van de Camilli’s. In zijn jonge jaren had Pietro in het atelier van zijn vader gewerkt en het tot voortreffelijke vioolbouwer gebracht, maar was door onenigheid met hem daar op zijn zevenentwintigste weer vertrokken. In de eerste jaren van zijn verblijf in Mantua speelde hij viool aan het hof van Vincenzo Gonzaga, later pakte hij zijn oorspronkelijke vak weer op, werd vioolbouwer van het hoforkest en drukte zo zijn stempel op de vioolbouw in de rest van Mantua. Daar plukten ten minste twee plaatselijke vioolbouwers hun vruchten van; Tomasso Balestrieri en Camillo Camilli.

Camillo Camilli werd in 1703 geboren in Mantua. Zijn familie telde enkele geleerden waar zijn naamgenoot Camillo Camilli, rector en professor in de humaniora in Sienna wel de bekendste van was. Toen Camillo vioolbouwer wilde worden, was Pietro Guarneri al bijna zestig, maar fungeerde ondanks zijn leeftijd ongetwijfeld nog als Camillo’s grote voorbeeld. Camillo moet zijn werkplaats, gereedschappen en instrumenten gezien hebben, maar of hij daar ook een deel van zijn opleiding gekregen heeft, is niet zeker. De meeste onderzoekers houden het er op dat hij als jongen bij hem eerst wat rondgescharreld heeft om later stage te lopen. Uit analyses van instrumenten kon wel worden afgeleid dat Camillo Camilli veel heeft overgenomen van Antonio Zanotti, vioolbouwer aan het hof van Vincenzo Gonzaga waar hij Pietro Guarneri was opgevolgd.

Antonio Zanotti noemde zich een ‘Lodegianus’, naar de plaats Lodi in Zuid Lombardije waar hij in zijn vroege jaren vermoedelijk Girolamo Amati had leren kennen die rond die tijd ook in Lodi werkte. Als jonge tijdgenoot van Pietro Guarneri heeft hij zich verder in diens stijl ontwikkeld.

Toen Camillo Camilli acht jaar oud was, stierf de heerser van Mantua, Ferdinando Carlo Gonzaga. Hij was een weinig bekwame heerser geweest, wiens belangstelling voornamelijk was uitgegaan naar exclusieve feesten en opera uitvoeringen aan zijn hof. Wat voordelig was geweest voor musici en vioolbouwers, had minder goed uitgepakt voor andere inwoners van de stad. Aan hen legde hij torenhoge belastingen op om zijn praal te kunnen bekostigen. Niet helemaal onverwacht verloor hij de strijd tegen de Frans-Oostenrijkse alliantie die al vele jaren aasde op de macht in Mantua. Hij zocht zijn toevlucht in Venetië en nam duizenden kunstwerken met zich mee. De rest verkocht hij aan Karel II van Engeland. Na zijn dood in 1708 verloor familie Gonzaga de macht over Mantua en moesten zij de stad afstaan aan de Habsburgers van Oostenrijk. In tegenstelling tot de verwachtingen zou die machtswisseling voor Camillo Camilli goed uitpakken.

De Habsburgers bleken zeer welwillend te staan tegenover de Italiaanse kunsten en die zelfs te stimuleren, waardoor in Mantua het culturele leven weer opbloeide. Dit keer niet alleen voor de elite, maar ook voor andere muziekliefhebbers van de stad. De Koninklijke Academie van Wetenschappen, Letteren en Kunsten, het grote theater werden gebouwd en talrijke paleizen in en rond Mantua herrezen onder hun invloed in volle glorie. Concerten die daarin gegeven werden, waren toegankelijk voor velen.

Camillus Camilli ontwikkelde zich onder leiding van Antonio Zanotti zó snel tot een goede vioolbouwer dat hij een geduchte concurrent voor zijn leermeester werd. Met zijn verfijnde manier van werken dreigde Camillo hem naar de kroon te steken. Toen Zanotti in 1730 vreesde dat zijn getalenteerde leerling ook zijn plaats als vioolbouwer aan het hof over zou willen nemen, bood hij hem een contract aan waarin beide bouwers overeenkwamen om elkaar niet ‘te beconcurreren’. Het contract liep slechts één jaar. Kort na 1731 werd Zanotti ziek en in 1734 stierf hij.

Camillus Camilli of Camillo de Camillis zoals hij zich ook wel noemde, gaf in de loop van de jaren de voorkeur aan de stijl van Pietro Guarneri boven die van zijn leermeester en bouwde rond 1740 nog even een aantal violen naar Nicolò Amati.

Tot aan zijn dood in 1754 bleef hij werken aan een groot oeuvre dat voor zover we weten, alleen uit violen bestaat. Sommige violen zijn van een klein formaat zoals in Mantua niet ongebruikelijk was.

Camillo Camilli wordt zeer gewaardeerd om zijn voortreffelijk vakmanschap dat ver uitstijgt boven de meeste vioolbouwers van zijn tijd.

Werk en invloed van Camillo Camilli

Camillo Camilli had in zijn tijd nog geen grote naam. Pas in de loop van de negentiende eeuw werd zijn vakmanschap erkend. De gebroeders Hill vermeldden in hun boek over de vioolbouw in Italië uit 1903: “Camilli was an excellent maker....his work shows considerable affinity with that of Pietro Guarneri”. De Hills hadden gezag en vanaf hun vermelding groeide de erkenning van Camilli pas echt.

De eerste instrumenten van Camillo Camilli dateren van rond 1720. Die hebben nog wat weg van Antonio Zanotti; hoog gewelfd als die van Stainer en Girolamo Amati.

In de tien volgende jaren experimenteerde hij met diverse vormen en diktes van het hout en verbeterde zijn techniek aanzienlijk. Hij schroeide in die tijd het esdoorn achterblad van zijn violen en vaak ook de zijkanten waardoor de nerven als donkere lijnen door het blad heen lopen. Het hout dat hij gebruikte kwam van lokaal gekapte bomen. In het midden van het achterblad verscheen een minuscule houten markering waar vanuit hij de cirkels tekende. Net zoals bij de Cremonese bouwers gebruikelijk is, geven die de plaats aan waar de dikte van het blad verandert.

In 1730 bouwde hij een viool die zorgvuldig gedetailleerd en fraai geproportioneerd was en nauwelijks te onderscheiden was van het instrument dat Pietro Guarneri in 1704 bouwde, zij het een fractie kleiner.

Ook in 1734 toonde hij zich nog duidelijk een erfgenaam van Pietro Guarneri, maar geleidelijk gaf hij er een meer persoonlijk accent aan door de vorm van de krul, de welving en de f-gaten. De kwaliteit van het hout dat hij toen gebruikte is vaak beter dan vóór die tijd.

In 1742 lijkt Camillo Camilli weer terug te zijn gaan naar het ‘ronde' model van Pietro Guarneri. Deze stap terug in de tijd werd verder gevolgd door Nicolò Amati’s zogenaamde ‘grote patroon’ viool uit 1665 om uiteindelijk enkele jaren later uit te monden in een vorm die de herkenbare stijl van Mantua zou worden.

Camillo Camilli was een bijna even nauwgezet maker als Pietro Guarneri; hij had een vergelijkbare benadering van details in de krul, de randen en de f-gaten. Hij onderscheidde zich waarschijnlijk nog wel het meest door een rijke gele lak die hij consequent gebruikte en zelf ontwikkeld leek te hebben.

Camilli stierf in 1754, maar zijn model werd nog lang in Mantua gebouwd. Zo zien Philip J. Kass en Andrea Zanrè dezelfde rondingen en de ‘lichtheid van vorm’ terugkomen in het vroege werk van Tommaso Balestrieri die dat met enige regelmaat tot zijn dood in 1790 zou blijven volhouden.

De originaliteit van Camilli’s model zet hem op gelijke voet met de Venetiaanse vioolbouwers van de negentiende eeuw, die net zoals hij experimenteerden met de vroege Cremonese bouwers.

In tegenstelling tot Pietro Guarneri beschikte Camilo Camilli vermoedelijk niet over een eigen voorraad geselecteerd hout; vrijwel ieder instrument is van een andere boom gemaakt en verschilt in kwaliteit. Ook in de manier waarop hij het hout in de viool verwerkt is hij niet erg consequent; soms maakt hij het achterblad uit één stuk, soms uit twee, waarvan de vlamtekening zowel omhoog, omlaag als bijna horizontaal kan lopen.

Zijn etiket luidt: Camillus de Camillis, Fecit Die XXV Augusti, Anno Dni MDCCLI.

Bronnen

Blot E., 2001, Liuteria Italiana, Piemonte, Italy.

Landon Ch., 2008, The Strad Magazine

Tarisio, Cozio archive, Philip J. Kass en Andrea Zanrè, New Research on the Violin Makers of Mantua, bezocht 2021

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa

Henley W. , 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. Londen

W. Henry Hill, Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, 1931, The Violin Makers of the Guarneri Family, 1626-1762, Londen

Auteur
Jan Boekhout
Datum
28 oktober 2022