
cello
Michal Riefeld

*1727 , Salisbury †1795 , Salisbury

Benjamin Banks die op 14 juli 1727 in Salisbury als zoon van George Banks en Barbary Huttoft werd geboren, groeide op in een eenvoudig milieu. Zijn vader was slager net als zijn grootvader. Ook de rest van de familie bestond uit handwerkslieden. Van enige muzikaliteit was geen sprake.
Salisbury had vrijwel geen profane muziekcultuur, maar wel een religieuze. Daar was de Kathedraal het centrum van. De kerkelijke leiding en het koor speelden een hoofdrol in de muzikale activiteiten in de stad. Muziekbijeenkomsten werden gehouden bij de geestelijken thuis, concerten werden in de stad georganiseerd en tijdens de muziekfestivals in en om de kathedraal wisselden musici kennis uit. Het St. Cecilia festival dat ieder jaar in de herfst gehouden werd was populair. Daar kwamen duizenden mensen op af.
De bewoners leefden van de handel en van het handwerk waarmee stoffen, leer en kantwerk gemaakt werd. Er zat één muziekinstrumentenmaker: William Huttoft die violen en snaren maakte, de harpiscords in de omtrek repareerde en vaak geroepen werd om de allereerste piano in Engeland te stemmen, een noviteit die toebehoorde aan het parlementslid James Harris uit zijn woonplaats.
De stimulans om vioolbouwer te worden kwam van William Huttoft, zijn oom en moeders oudste broer. Op 24 Juni 1741 betaalde George Banks hem het bedrag van 20 pond, om Benjamin in dienst te nemen en de jongen in zeven jaar op te leiden tot vioolbouwer. Een jaar later, op 26 Juli 1742 betaalde Banks nog eens tien shillings voor bewezen dienst voor het eerste jaar.
Eenmaal een beginnend instrumentenmaker vestigde Benjamin Banks zich in Catherine street, vlak bij de imposante Salisbury Cathedral. De koorschool waar uit het hele land kinderen naar toe kwamen om muziekonderricht te krijgen, was enkele straten bij hem vandaan. De instrumenten van de plaatselijke musici onderhield hij, maar hij had ook enkele belangrijke klanten in de buurt van zijn woonplaats overgenomen van zijn oom, zoals graaf van Pembroke van het Wilton House, graaf Radnor van Longford Castle en James Harris. De instrumentencollectie van Pembroke was beroemd. Voor beide graven maakte hij enkele violen en cello’s en verdiende bij met het onderhouden van alle andere instrumenten in hun collectie.
Zijn belangrijkste relatie was echter James Harris, parlementslid en een goede vriend van George Friedrich Händel die regelmatig bij hem in Salisbury te gast was. Harris organiseerde en dirigeerde bijna vijftig jaar concerten tijdens de festivals van Salisbury. Die werden in de herfst ter ere van St Cecilia gehouden en trok duizenden bezoekers. Daarnaast gaf Harris zelf regelmatig concerten in zijn eigen huis. Voor hem bouwde Banks twee violen en een cello.
In Salisbury werd twee keer per week markt gehouden waar gehandeld werd door boeren, handwerkslieden en kooplui uit de wijde omtrek. Maar het fungeerde ook als centrum van distributie voor de streek; iedere week stopten er alleen al 24 koetsen van en naar Londen en evenzoveel naar Exeter. Ondanks de afstand van 90 km wist Banks met behulp van zijn connecties in Salisbury zijn werkterrein naar Londen te verleggen. James Longman en Thomas Cahusac waren daar twee van de belangrijkste handelaren in instrumenten. Aan hen leverde hij het merendeel van zijn werk.
James Longman was geen vioolbouwer, maar een uitgever van bladmuziek en beginnend handelaar in instrumenten. Hij had, sinds hij in Londen was begonnen, verschillende partners versleten voor hij een samenwerking aanging met Francis Broderip, een relatie die jaren zou duren en een succes werd. In hun werkplaats werden alleen piano’s gebouwd; de strijkinstrumenten werden geleverd door verschillende vioolbouwers die voor zichzelf of ergens anders werkten. Henry Jay, David en James Furber, Lockey Hill én Benjamin Banks waren de meest bekende. Ook na de fusie bleef Benjamin Banks voor Longman & Broderip instrumenten bouwen. Zij deden buitengewoon goede zaken want in 1782 konden zij naar de Haymarket verhuizen; een betere buurt in opkomst.
In de winter van 1784 werd de werkplaats achter zijn huis getroffen door een grote brand. Enkele instrument vielen ten prooi aan het vuur net als een deel van zijn houtvoorraad. Geholpen door enkele vrienden herbouwde hij het weer, maar de werk kostte toch nog enkele maanden. De bestelde instrumenten moesten allemaal opnieuw gebouwd worden. p>Van zijn leveringen aan James Longman alleen kon Benjamin niet bestaan. Thomas Cahusac was net als Longman & Broderip een grote naam in de Londense muziekwereld. Hij was uitgever van muziek en verkocht allerhande instrumenten. Daarnaast was Cahusac al jarenlang een vooraanstaande maker van houtblaasinstrumenten. Zijn assortiment liep uiteen van het allergoedkoopste tot het beste dat er voorhanden was, ook strijkinstrumenten. Geen ingevoerde Italiaanse violen en cello’s zoals Longman & Broderip, maar alleen nieuw gebouwde. Aan hem leverde Benjamin Banks jarenlang zijn werk. Thomas Cahusac had voorkeur voor het model van Nicolò Amati en Banks bouwde ze dan ook voor hem in Amati’s stijl.
Tussen Banks en Longman groeide een goede persoonlijke band. Benjamin bezocht hem regelmatig om zijn instrumenten af te leveren en nadat hij getrouwd was en een dochter had gekregen ging het gezin mee naar Londen. In 1761 trouwde Anne Banks, Benjamins dochter met Cahusac’s zoon Thomas.
In tegenstelling tot in Salisbury was de muziekcultuur in Londen volop in ontwikkeling. Vanaf 1770 groeide de populariteit van de Italiaanse opera, de theaters zaten vol en de elite organiseerde veel privé-uitvoeringen waar soms honderden mensen voor uitgenodigd werden. Die voorkeur bracht ook Italiaanse instrumenten onder de aandacht van de Londense musici en werden daardoor buitengewoon populair. Toen de Italiaanse vioolbouwer Vincenzo Panormo in 1772 in Londen arriveerde, werkten er al honderden Italianen in de stad. Panormo vestigde zich in Soho en bood zijn instrumenten aan de Londense handelaren aan. Zijn invloed op de vioolbouw in Londen groeide in de loop van de jaren zodanig dat geen vioolbouwer in Londen om hem heen kon. Ook Banks niet. Aanvankelijk bouwde hij nog zijn Amati model, maar na de enorme populariteit van Panormo, die alleen Stradivari modellen propageerde, moest ook Banks mee. Vanaf 1775 verschijnen zijn eerst Stradivari violen en iets later dat jaar een klein Stradivari-model cello.
Waarschijnlijk begon Benjamin in Londen een bescheiden eigen vestiging op Sherrard Street 30, niet ver van Golden Square af. Zeker is dat niet; er is geen archief dat dit bevestigt, maar hij schrijft dit adres wel op zijn labels. In ieder geval kon hij uitbreiden waarbij zijn zoon Benjamin II met hem mee ging werken. Benjamin II was in 1752 geboren als tweede van negen kinderen, werd gedoopt in de St. Thomas kerk in New Sarum, Salisbury en door zijn vader opgeleid.
In 1780 waaide een hevige storm de majestueuze Libanese ceder in het park van Wilton House om. Benjamin Banks kreeg van graaf Pembroke de opdracht om uit het hout van de boom een cello te maken. Het werd geen succes; de klank bleef onder de verwachting en de cello werd dan ook niet bespeeld. De graaf vond het echter een interessant experiment en voegde het instrument toe aan zijn instrumentencollectie en liet het voorzien van een zilveren plaat waar het verhaal van de ceder en de maker op stond.
Waar Benjamin Banks zich nog tot 1775 voegde naar de markt en op verzoek van zijn opdrachtgevers bouwde wat zij vroegen, en daar zat zeker ook inferieur werk tussen, werden zijn instrumenten door zijn contacten met de Londense makers steeds beter. Hij bouwde veel cello’s, violen, weinig altviolen, maar van hem zijn geen contrabassen bekend.
Zijn vernis was geen onverdeeld succes. Hij gebuikte zeker in het begin een dichte lak waardoor de nervatuur van het hout nagenoeg onzichtbaar werd. Een kleur die hij veel toepaste was roodbruin/zwart. Geel/roodbruin kon op bestelling geleverd worden. Later gebruikte hij deze kleur steeds vaker, maar hij bleef zich van de andere Londense bouwers onderscheiden door de melkachtige, opake afwerking.
Rond 1780 begon zijn beste periode. Daarin bouwde hij een groot aantal voortreffelijke cello’s waarmee hij doorging tot zijn dood in 1795. Benjamin II nam het bedrijf over, maar stierf jong. De andere twee zonen die ook vioolbouwers waren geworden, vertrokken naar Liverpool. Benjamin Banks werd begraven op het St. Thomas kerkhof in Salisbury.
In Engeland wordt Benjamin Banks beschouwd als de belangrijkste Engelse vioolbouwer van de achttiende eeuw.
Benjamin Banks staat bekend als de Engelse Amati. Zo die typering al van toepassing is, heeft die alleen betrekking op de laatste zeventien jaar van zijn leven. Daarvoor was zijn werk voornamelijk beïnvloed door Britse bouwers als Foster en Kennedy. ‘Brits’ was een aanduiding die in de wereld van de Londense vioolhandel werd gebruikt voor de eenvoudigste klasse strijkinstrumenten.
Lang heeft men aangenomen dat Banks vrijwel geen violen naar het model van Stainer gebouwd heeft. Uit de archieven van Longman & Broderip blijkt echter dat hij deze vroeg in zijn loopbaan wel gebouwd heeft. Het waren instrumenten uit de voordeligste klasse. Ze werden verkocht met het label van het handelshuis erin en niet herkenbaar als een ‘Banks’. Slechts weinig van deze violen hebben de tijd doorstaan.
Onder invloed van de Londense mode bouwde hij daarna ook enkele op Stainer gebaseerde violen, maar pas aangezet door Thomas Cahusac begon hij aan zijn Amati-instrumenten. Die vertoonden eerst nog slechts enige gelijkenis met die van Nicolò Amati, maar naarmate hij verder kwam, bouwde hij interessante versies van zijn grote voorbeeld. Hill oordeelt dat zijn beste werk prachtig de ‘fijnzinnigheid van de originele modellen weerspiegelt’.
Naar de mening van de experts Hebbert en Hill behoort een aantal cello’s die hij naar Stradivari gebouwd heeft tot de beste cello’s die aan het eind van de achttiende eeuw in Engeland gebouwd zijn. Daarvan zijn er ongeveer tien teruggevonden. Aan deze instrumenten begon Benjamin Banks rond 1775.
Zijn cello’s en veel violen bouwde hij naar een wat kleiner model dan gebruikelijk. Die werden in zijn tijd al erg om hun klank en speelbaarheid gewaardeerd. Ook zijn altviolen waren klein, net zoals de meeste Engelse vioolbouwers van zijn generatie bouwden, maar de meeste musici prefereerden echter een iets groter model.
Zijn instrumenten zijn op diverse onderdelen gesigneerd of gestempeld met B.B of met zijn volledige naam, alsof hij bang was voor vervalsingen. De plaats van deze merktekens lijken willekeurig gekozen te zijn want een vast en herkenbaar systeem ontbreekt.
Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is een prachtig voorbeeld van wat hij in zijn allerbeste periode bouwde.
Flaming, J. F., 2016, English, Scottish and Irish Violin Makers, London.
Westbrook J., 2012, Panormo and His Contemporaries, Cambridge.
Baker T, Dilworth T en Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers - Vol. 1, 2001, Keulen.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Tarisio, the Cozio archive, bezocht in 2021.
Archief van het ‘Apprentice Books at the Records Office’, Kew, bezocht in 2021.
Oxford Dictionary of National Biography, bezocht in 2021.