Doorgaan naar content
bouwer

Antonio Pelizon

*1763 , Rubbia      †1850 , Gorizia

De vioolbouw in Venetië had in de zeventiende eeuw een gouden eeuw beleefd. De republiek Venetië was een economische en geopolitieke wereldmacht geweest en de vioolbouw in de stad had die op de voet gevolgd. Vioolbouwers als Goffriller, Montagnana, Serafin en Guarneri maakten furore met hun hoogwaardige, verfijnde instrumenten. Toen Antonio Pelizon aan zijn loopbaan begon, was Venetië op zijn retour. Cultureel en zeker op het gebied van de vioolbouw dreef de stad op het verleden. De Venetiaanse kunst bleef Europa nog beïnvloeden, maar de vernieuwing en het elan was eruit. Wat overgebleven was van de Venetiaanse school reikte tot in het uiterste noordoosten van Italië. Daar werd Antonio Pelizon in 1763 geboren. Zijn geboortedorp Rubbia lag op ruim 100 km van Venetië af, in het prinsdom Gorizia dat een onderdeel was van het grote Oostenrijks-Habsburgse rijk.

De familie Pelizon was oorspronkelijk afkomstig uit Venetië en had nog banden in Bologna, Mantua en Brescia, maar zijn vader was geboren in de stad Gorizia. Op zijn 16e verhuisde Antonio van Rubbia naar zijn vaders geboorteplaats die maar enkele kilometers noordelijker lag. Gorizia was een zomerresidentie voor de Oostenrijkse adel en stond bekend als het ‘Nice van het Noorden’. Rijk, welvarend en op het gebied van architectuur en cultuur een smeltkroes van invloeden uit Italië, Oostenrijk en in toenemende mate van de Balkan. Hoezeer Gorizia verweven was met de Duitse cultuur blijkt wel uit het feit dat Antiono’s vader als ‘Franz’ geboren was en zijn moeder Ursula heette.
Werkplaats(en)
Gorizia, ± 1783 - 1850

Van ‘marangone’ tot vioolbouwer

Mogelijk ging Antonio Pelizon in zijn jonge jaren als timmerman in Venetië werken en keerde later terug naar Gorizia. Daar komt zijn naam voor in akten waarin hij als  beroep ‘marangone’ opgaf. Dat is een typisch Venetiaanse benaming voor timmerman, meestal iemand die als scheepstimmerman in het Arsenaal van Venetië werkte. In Gorizia sloot hij zich aan bij het houtbewerkersgilde. Later noemde hij zich wel vioolbouwer. Mario Ranieri Cossàr, die het werk van de familie Pelizon heeft bestudeerd, is van mening dat Antonio Pelizon op het gebied van vioolbouw autodidact was en in het begin van zijn loopbaan zijn violen bouwde naar de instrumenten die reizende muzikanten meebrachten. Van een directe Venetiaanse invloed was geen sprake.

Tussen de vergane glorie van Venetië en het Sloveense nationalisme

Op het gebied van de muziek was Gorizia een smeltkroes. Het viel al twee eeuwen onder de Habsburgse Monarchie, net buiten de republiek Venetië, op de grens van wat nu Slovenië is. Onder het Habsburgse rijk was de bevolking van Gorizia gegroeid van 2.000 naar zo’n 10.000 in 1800.

De Habsburgers Oostenrijkers met hun verfijnde Weense muziekcultuur, beschouwden Gorizia als buffer tegen Venetië. In hun ogen was dat vervallen, decadent en vergane glorie. Dat voorkwam echter niet dat de muziek uit Venetië er in doordrong. Hoewel gelegen in het Habsburgse rijk, lag Gorizia in de invloedssfeer van de Venetiaanse cultuur. In de ‘Sala della Musica’ van het Castello di Gorizia werden muziekuitvoeringen gegeven door rondreizende gezelschappen, ook die uit Venetië. Wel alleen voor genodigden. Daarnaast beschikte Gorizia over nog vier andere gelegenheden waar muziekevenementen werden georganiseerd.

Antonio Pelizon, die zelf uit een vooraanstaande familie kwam, voegde zich gemakkelijk in de stad. De meer vermogenden die in Gorizia woonden of er een buitenverblijf hadden, waren zelf vaak goede amateur-musici en speelden in strijkkwartetten en kamerensembles. Er waren, voordat Antonio naar Gorizia ging, weinig openbare concerten, muziek was een particuliere aangelegenheid. Pas halverwege de 90-er jaren kreeg het een eigen orkest en werden de concerten voor iedereen toegankelijk.

‘Gorizia lag in de invloedssfeer van Venetië,
behalve wat de vioolbouw betreft’

In Gorizia hoorde Antonio Pelizon de motetten, missen en psalmen wel van Oostenrijkse componisten, maar in toenemende mate werden ook die van Claudio Monteverdi en Giovanni Gabrieli er uitgevoerd. En de rondreizende muziekgezelschappen brachten ook hun wereldse muziek. Op de programma’s stonden regelmatig strijkkwartetten van Beethoven en Haydn. De Venetiaanse ‘opera buffa’, kamermuziek en liedjes uit de Commedia dell’arte waren in Gorizia bekend en geliefd.

Als een van de weinige steden in Italië stond er een synagoge binnen de muren van de stad. Het kende al vroeg een grote Joodse gemeenschap met banden in heel Europa. De Joden woonden in de wijk San Giovanni. In tegenstelling tot elders mochten zij hier gebouwen in eigendom hebben. De gemeenschap was cruciaal voor de lokale economie, met name in de handel en het bankwezen.

Halverwege Pelizons leven onderging Gorizia op muzikaal gebied steeds meer invloed uit het oosten. Het Sloveens nationalisme groeide; muziekleraren uit Ljubljana organiseerden in Gorizia concerten en gaven er muzieklessen. De stad ontwikkelde zich rond 1825 tot een centrum voor de Sloveense cultuur. Alleen aan violisten was er een gebrek; die zaten veelal in Venetië dat onder de Habsburgers weer opbloeide.  

Pelizon en de ‘Regole per la costruzione de’ violini viole violoncelli e violoni’ van Bagattella

Stefano Pio, die onderzoek heeft gedaan naar de vioolbouwcultuur in en rond Venetië, ziet een toename van het aantal vioolbouwers in de negentiende eeuw rondom Venetië, waaronder hij ook Gorizia en Triëst schaart. Dat was het gevolg van de opleving van de wereldse muziekcultuur in de stad. Het Venetiaanse vioolbouwersgilde beperkte het aantal werkplaatsen om de markt te beschermen tegen overproductie. Buiten de stad golden die regels niet waardoor de vioolbouw in de ruime omgeving kon toenemen. Dat was mede mogelijk doordat veel vioolbouwers het boek ‘Regole per la costruzione de’ violini viole violoncelli e violoni’ van Antonio Bagatella in handen kregen. Daarin beschreef hij de "vergeten regels" van de oude meesters zoals de Amati-familie.

Voor welvingen en verhoudingen gaf hij geometrische verhoudingen en maten, waardoor vioolbouwers dat niet meer op het oog hoefden te doen. Bagatelle had voor zijn verhandeling een prijs gekregen van de universiteit van Padua. De eerste gedrukte editie verscheen in 1786 en telde enkele honderden exemplaren. Die werden al snel gekopieerd en verspreid. Gezien het werk van de beginnende Antonio Pelizon, kende hij het boek toen nog niet. Het is mogelijk dat hij het later heeft gebruikt. Hij was autodidact en dit werk circuleerde in zijn omgeving.

Werken nabij verval, roof en chaos

Rond Antonio’s vijfendertigste levensjaar begon een van de meest ingrijpende gebeurtenissen uit zijn loopbaan. In 1797 viel Napoleon Venetië binnen en maakte een einde aan de soevereiniteit van de republiek Venetië. Er volgden negen chaotische jaren die drastisch en destructief waren. Napoleon roofde Venetië op grote schaal leeg, sloopte delen van de stad en verbood de handel met Engeland. Venetië verarmde. Het Arsenaal werd in 1805 ontmanteld en de vloot volledig vernietigd. De haven kwam vrijwel stil te liggen. Uitvoer van strijkinstrumenten naar Engeland, waar voor Italiaanse instrumenten hoge bedragen werden neergelegd, was onmogelijk geworden. In 1815 ruilde Napoleon met de Oostenrijkse monarchie Venetië voor andere gebieden en droeg de hele voormalige republiek in dat jaar aan hen over.

De hoogtijdagen van de Venetiaanse vioolbouw waren voorbij. De Oostenrijkers investeerden in infrastructuur en onderwijs en maakten Venetië een onderdeel van de monarchie. Door het vrije handelsverkeer dat zij mogelijk maakten, vonden de instrumenten van Antonio Pelizon, en later ook die van zijn zonen, hun weg via Triëst en soms weer via Venetië naar musici buiten de landsgrenzen.

Nog tijdens Antonio’s leven kwamen de Venetianen in opstand. In maart 1848 dwongen zij de Oostenrijkse troepen tot vertrek. Oostenrijk zette een tegenoffensief in. De stad werd anderhalf jaar lang omsingeld en geteisterd door cholera. Twee maanden later werd het gezag hersteld. Antonio bouwde zijn laatste instrument in 1850. Het was een cello die nu wordt beschouwd als een van zijn mooiste. Antonio Pelizon werd 87 jaar oud.

De zonen Pelizon

In 1799 trouwde Antonio Pelizon en een jaar later kreeg hij zijn eerste zoon: Giuseppe Francesco (1800-1874), gevolgd door nog vijftien kinderen, waaronder Antonio Vincenzo Giuseppe (Antonio II, 1809-1861), Carlo (1811-1891) en Filippo (1817-1897), die hij alle vier opleidde tot vioolbouwer.

Venetiaans in werk- en taakverdeling 

Nadat zijn zonen in zijn werkplaats waren begonnen, ontstond er vermoedelijk een taakverdeling waarbij ieder een onderdeel van een instrument maakte. Niet zoals in Cremona waar één vioolbouwer, één instrument bouwde. Dat had Stefano Pio ontdekt bij zijn onderzoek naar de werkplaatsen van vioolbouwers in Venetië. Die werk- en taakverdeling was daar ontstaan en in de hele streek in gebruik geraakt. Mario Ranieri Cossàr geeft dat ook als verklaring voor de verschillen in kwaliteit van het werk die er op onderdelen van de latere instrumenten te zien zijn. Pelizons vier zonen volgden hem na zijn dood in 1850 op, maar voornamelijk in de handel; geen van hen bereikte het niveau van vakmanschap zoals dat van hun vader. 

Samen met zijn zonen was Antonio Pelizon een productieve bouwer van violen, altviolen, cello’s en enkele contrabassen. Die vonden vermoedelijk via handelsroutes langs Triëst en Venetië hun weg naar de musici elders in Europa. 

Mede dankzij de vijf vioolbouwers Pelizon is er in Gorizia een muziekcultuur ontstaan waar nu nog steeds internationale vioolconcoursen worden gehouden. 

Materiaalgebruik en de ontwikkeling in het werk van Antonio Pelizon 

In Gorizia en omgeving was het klankhout waar de bovenbladen van de vioolfamilie  van werd gemaakt in ruime mate voorhanden. Voor andere houtsoorten, zoals esdoorn, was Antonio Pelizon aangewezen op wat verderop in de Balkan of Alpen groeide. Het leek erop dat de aanvoer daarvan wisselend was. In zijn oeuvre zijn grote verschillen in kwaliteit van het gebruikte materiaal te zien. Dat verwerkte hij soms onzuiver waardoor de aansluitingen tussen de bladdelen niet altijd helemaal strak waren. Dat nam niet weg dat de klank van zijn instrumenten als bijzonder goed werd beoordeeld, met name die van zijn cello’s. 

Mario Ranieri Cossàr denkt dat Antonio zeker in het begin nog geen eigen concept had ontwikkeld, daarvoor zijn de verschillen tussen zijn instrumenten te groot. De enige overeenkomst in zijn violen die hij in de periode tussen 1805 en 1815 bouwde is dat zij, op een enkele viool na, smal en hoekig zijn met korte, nogal onbeholpen gesneden hoekpunten. Dat veranderde geleidelijk. De hoekigheid verdween rond 1820 en zijn instrumenten gingen meer lijken op de stijl van Amati. 

De f-gaten zijn lang en vooral in de periode tussen 1800 en 1835 weinig verfijnd gesneden. Pas rond 1840 is er een duidelijke verbetering zichtbaar, vooral in zijn cello’s. Het snijwerk van de krullen verschilt ook heel erg; soms liet hij afdrukken van gereedschap staan, maar ook komen zeer verfijnde krullen voor, vooral in zijn cello’s van na 1840. 

De randinleg van zijn instrumenten tekent vaak scherp af door de twee zeer zwarte stroken. Hij gebruikte meestal goudgele lak die hij dun opbracht. Sommige violen en een enkele altviool werkte hij af zoals in Cremona gebruikelijk was; met een zwarte rand langs de krul en de sleutelkast. De voor Venetië zo kenmerkende rode lak komt in zijn werk niet voor. Experts zien hem als een bouwer zonder pretenties bij wie klank boven vorm ging. 

In de periode tussen 1799 en 1805 schreef hij zijn naam als Pellizon of Pelisoni, maar later keerde hij terug naar zijn oorspronkelijke spelling: Pelizon. 

Antonio Pelizon gebruikte vier verschillende etiketten;

een handgeschreven etiket:

-Antonio Pelizon, fecit Gorizia, 18..

En drie gedrukte:

-Antonius Pelizon, Goritiae, 18..

-Antonius Pelisoni fecit Goritice 18..

-Antonius Pilizon fecit Goritias 18..

Bronnen

Pio S., (2019),Violin Makers and Players, Venice 1750 -1870, Venetie.

Bozzi P, (1997) Rodolfo Lipizer, Rome

Cossàr M.R., (1939) Vecchia liuteria goriziana, Ancient Luthier's craft in Gorizia, La famiglia Pelizon/The Pelizon family, Cremona.

De Bonfils M. (2012), Vademecum del Violinista,, Bari

Vannes, R. (1999) Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Geneanet, bezocht in 2023

Cozio archief, Tarizio, bezocht 2023

Auteur
Jan Boekhout
Datum
5 maart 2026