Doorgaan naar content

de keten van verwerven
en uitlenen, daar loop
ik nog steeds
warm voor

Jan Verheugt treedt, na vierentwintig jaar zijn beste krachten aan Het Muziekinstrumentenfonds te hebben gewijd, terug als vicevoorzitter van de Raad van Toezicht. Zijn liefde voor het fonds en voor de instrumenten is grenzeloos. “Ik kan wel huilen als ik zoiets moois zie.” Verheugt over jong talent en oude Italianen.

Nieuws
6 september 2018 door Manon Veenendaal

Raad van Advies

De stapeltjes Haydnkwartetten liggen klaar op tafel, de lessenaars naast de vleugel staan gereed. Jan Verheugt wrijft verlekkerd in zijn handen: vanavond is het weer zover en duikt hij met drie anderen in de muziek die hem lief is. “Wat is er heerlijker dan Haydn spelen met gelijkgestemde zielen? Deze kwartetten vormen het summum van de kamermuziek, ik kan me er eindeloos in verdiepen.”

En dat doet Verheugt dan ook, op zijn Italiaan, een Ruggieri-viool uit 1673. Zijn liefde voor de muziek en zijn kennis van strijkinstrumenten hebben hem de afgelopen vierentwintig jaar tot een onmisbare kracht binnen het fonds gemaakt. Nu Marcel Schopman Het Muziekinstrumentenfonds als directeur vaarwel heeft gezegd, vond ook Verheugt het tijd om op te stappen als vicevoorzitter van de Raad van Toezicht. Wel blijft hij als lid verbonden aan de Raad van Advies. “Marcel en ik zijn altijd twee handen op één buik geweest. Ik vind het heel fijn om via de Raad van Advies in contact te blijven met Het Muziekinstrumentenfonds. Ik heb het fonds in mijn hart gesloten.”

Verheugt zit aan zijn keukentafel in Buitenveldert, de vogels fluiten, een briesje waait naar binnen. Niettemin kan het er verhit aan toe gaan als Verheugt, voormalig rechter, praat over de nerf van een Bergonzi of over zijn eigen instrument. Dan vliegen de superlatieven en de namen van beroemde bouwers je om de oren. “Ruggieri was de buurman van Stradivarius, maar mijn instrument is nog een beetje Amati-achtig, dat zie je aan de vorm van de f-gaten en de afstand ertussen.”

 “Als jongetje heb ik mijn hart verpand aan de muziek en aan de viool, en dat kwam door mijn vioollerares, Hedwig Rodriguez, op wie ik altijd gek ben geweest. Een geweldige, inspirerende vrouw! Ze was getrouwd met Max Rodriguez, cellist in het Concertgebouworkest. Later zijn hun instrumenten in de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds opgenomen. En via Hedwig ben ik bij het fonds terechtgekomen. Ze had gezegd: ‘Ik breng graag mijn spullen bij jullie onder, op één voorwaarde: dat Jan Verheugt er goed voor zorgt.’ Daar ben ik haar nog steeds dankbaar voor.”

foto: Jesse Kraal

Muzikale schoonheid

“Via mijn lerares en haar man heb ik de schoonheid ontdekt van oude instrumenten. Hoe herken je een goed instrument, hoe zit het met de houtsoort en wat voor lak werd er gebruikt? Op school – ik zat op het Ignatiuscollege in Amsterdam – gooide ik er met de pet naar, omdat ik muziek wilde maken. Op een gegeven moment zeiden de Jezuïeten dat die viool maar eens een tijdje aan de kant moest. Ik was in alle staten, maar bleef naar vioolles gaan, zonder instrument. We deden theorie en bogen ons over de instrumentenleer, om maar bezig te blijven met de muziek. Dat is een geweldige leerschool voor me geweest. Ik was enorm nieuwsgierig. In de orkesten waarin ik speelde vroeg ik aan iedereen hoe oud zijn of haar instrument was, wat het had gekost en zo meer.”

Passie

“Mijn passie voor Het Muziekinstrumentenfonds is een mengeling van liefde voor het mooie materiaal en het idee dat je jonge talenten aan een instrument kunt helpen. Daar zit ook een stukje romantiek: je draagt bij aan iemands ontwikkeling, en die musici komen misschien wel heel ver met de mogelijkheden die het fonds hun biedt. Het fonds is tenslotte de Bank of Englandvan mooie instrumenten, dus ze hebben wel wat in handen om op te spelen.”

“De keten van verwerven en uitlenen, daar loop ik nog steeds warm voor. Ik was zeer verguld toen we een paar jaar geleden de viool van Herman Krebbers konden aankopen, dat was een hoogtepunt in mijn jaren bij het fonds. Krebbers bespeelde een Bergonzi, en het was helemaal feestelijk dat die vervolgens uitgeleend werd aan Maria Milstein. Zij heeft een toon, ongelofelijk. Deze viool is donker van klank, puur, elegant, een wonder. Wacht, ik laat je even wat zien.” Verheugt pakt een boek over Bergonzi erbij, en bewondert pagina na pagina de kleurenfoto’s van voor- en achterbladen. “Dit doet pijn aan mijn ogen, ik kan wel huilen als ik zoiets moois zie, en ik weet niet hoe het komt. De kleur van zo’n instrument, de warmte die het uitstraalt, de manier waarop het hout is verwerkt. En het gekke is: een viool die er zo mooi uitziet, klinkt ook mooi. Ga naar de groten der aarde luisteren in het Concertgebouw: als Frank Peter Zimmermann, Nikolaj Znaider of Anne-Sophie Mutter daar hun Italianen bespelen, trilt het gebouw nog dagen na. Zij vullen de hele zaal.”

“Ik heb me altijd meer musicus dan jurist gevoeld. Ik ben bevriend met vele musici. In de Raad van Toezicht van Het Muziekinstrumentenfonds was ik ook een beetje een vreemde eend in de bijt, met die combinatie van inzicht in juridische teksten en mijn heel persoonlijke gevoel voor de instrumenten en hun achtergrond. Geld en relaties heb ik als lid van de Raad niet ingebracht, wel expertise op mijn manier, en passie en hartstocht.”

Bloeitijd

“Ik heb geboft Het Muziekinstrumentenfonds in een enorme bloeitijd mee te mogen maken. Sinds het aantreden van Wim Dik in 2001 als bestuursvoorzitter, en een paar jaar later Marcel als directeur, heeft het fonds een zegetocht gemaakt naar de gezonde organisatie die het nu is. Hun beider inzet kan niet genoeg geprezen worden. Je zou kunnen spreken van stille diplomatie, ik weet niet of de buitenwacht goed heeft gezien wat voor bergen werk Marcel heeft verzet. Hij was eigenlijk een onzichtbare hand – maar hij was er altijd, en ook voor iedereen persoonlijk. Ik heb dat enorm bewonderd.”

 “Er wordt goed nagedacht over hoe Het Muziekinstrumentenfonds optimaal kan functioneren. Zo hebben we niet zo lang geleden de statuten aangepast: op instigatie van Wim Dik is een zogeheten zesjarentermijn ingesteld. Iedere zes jaar kijken we of een bruiklener het instrument nog daadwerkelijk bespeelt. Mocht iemand zijn muziekstudie op een lager pitje hebben staan, bijvoorbeeld, dan zou het instrument weer terug moeten naar Het Muziekinstrumentenfonds – een lichte, maar nuttige toets. Zo weten we zeker dat al het materiaal op de juiste manier wordt benut.”

Voorliefde voor barokmuziek

“Wat ik ook belangrijk vind is dat Het Muziekinstrumentenfonds jaarlijks bouwopdrachten verstrekt aan Nederlandse bouwers. Daar rollen fantastische instrumenten uit en het stimuleert de Nederlandse vioolbouw.” Verheugt lacht: “Blijft overeind mijn voorliefde voor de oude Italianen, waarop ik zo graag barokmuziek speel. De authentieke hoek van muziek maken: het is dat eerlijke wat me daarin aanspreekt. Onlangs heb ik een cursus barokmuziek gevolgd in het Duitse Tübingen, zeer interessant. Als het over barokmuziek gaat is er altijd groot respect voor wat er precies in de partituur staat, meer nog dan bij hedendaagse muziek. Hoe kunnen we zo goed mogelijk de klank, het spel van toen benaderen, ons inleven in de oude tijden? We weten niets zeker, maar we kunnen wel proberen om er dichtbij te komen. Mijn motto is altijd: barokmuziek moet je proberen te spelen alsof ze gisteren geschreven is. De inkt is nog niet droog en we zijn vergeten dat na de barokjongens Brahms en Sjostakovitsj leefden. We vragen Händel om in de zaal te gaan zitten, en die zou blij moeten worden van wat wij doen – dat idee.”

“Voor mij hangt dit, en dat is voor een deel sentiment, samen met de vioolbouw van vroeger. Je kunt horen of een viool uit Cremona komt, in dat klankgeheim ben ik een beetje thuis. Hoe ze het voor elkaar hebben gekregen? De lak is van het grootste belang geweest, maar de theorieën zijn eindeloos. Wat er driehonderd jaar geleden in Cremona is gebeurd was eenmalig, en onbegrijpelijk. Ik weet niet hoeveel schrijfruimte je hebt, maar over de schoonheid van deze instrumenten kan ik tot in het oneindige doorpraten.”

Jan Verheugt werd geboren in 1946 in Amsterdam en studeerde rechten in Groningen. Hij was docent in de rechtswetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen en aan de Universiteit Leiden en vanaf 1989 rechter in Arnhem en Amsterdam. In 2016 ging hij met pensioen. In 1994 is Jan aangetreden als bestuurslid van Het Muziekinstrumentenfonds. Na 24 jaar – inmiddels vicevoorzitter van de Raad van Toezicht – treedt hij terug. Jan zal verbonden blijven aan het fonds als lid van de Raad van Advies.