Doorgaan naar content
bouwer

Jacques Boquay

*± 1680 , Lyon      †± 1740 , Parijs

Waren de vroegste vioolbouwers van Parijs schatplichtig aan de Italiaanse bouwers Andrea Amati en zijn zoon en Girolamo, de latere Franse vioolbouwers waren dat weer aan de bouwers van de ‘École Vieux Paris’. Zo wordt de ‘school’ aangeduid van bouwers die vóór de Franse Revolutie werkten. Jacques Boquay behoorde tot de eerste generatie van deze school. Het was slechts een zevental bouwers, verdeeld over de beide oevers van de Seine, die wat techniek betreft veel met elkaar gemeen hadden.

Van wie Jacques Boquay zijn vak geleerd heeft is niet bekend, maar hij moet instrumenten in handen hebben gehad van de familie Amati. Van Andrea Amati waren er al 38 violen in het orkest van het Franse hof aanwezig, gebouwd in opdracht van de Franse vorst en rond 1563 geleverd. De meeste instrumenten van Boquay’s hand zijn op deze bouwer geïnspireerd, maar iets kleiner en meer gewelfd.
Werkplaats(en)
Parijs, 1700-1739

Zijn Parijse jaren

Volgens overlevering is Jacques Boquay in Lyon geboren. Het jaar 1700 wordt daarin ook genoemd als het jaar waarin hij als vioolbouwer in Parijs begon. Zijn eerste instrumenten met een label waaruit bleek dat hij in Parijs werkzaam was, verschenen pas rond 1710. Wellicht heeft hij pas na zijn aankomst in Parijs het vak geleerd of voor een andere bouwer gewerkt. Het Parijse gilde waar vioolbouwers onder vielen, stelde onverbiddelijk hoge eisen aan vakmanschap, waardoor het jaren kon duren voordat een bouwer voor zichzelf kon beginnen.

Na zijn aankomst in Parijs vond hij een werkplaats aan de Rue de la Juiverie. Die lag in de oude Joodse Wijk op het Île de la Cité. Een drukke doorgangsweg tussen Petit Pont en Pont Notre-Dame. Later verhuisde hij naar een straat in een beduidend rustiger en betere buurt, de Rue d’Argenteuil. Die lag aan de rechter oever van de Seine, niet ver van de Tuilerieën en het Palais Royal. Daar zou hij zijn hele werkzame leven blijven wonen. De straat telde ten tijde van zijn werkperiode niet veel meer dan 40 huizen, variërend van een slotenmakerswoning tot een klein theater.

Bouwer en handelaar in instrumenten

De violen die Jacques Boquay verkocht, bouwde hij niet allemaal zelf, maar hij handelde ook in nieuwe instrumenten van anderen. Na zijn dood werden er negenentwintig violen van diverse bouwers uit de Lorraine streek in zijn werkplaats aangetroffen. Hij had een leerling, een ‘garçon’, die in teruggevonden brieven Treuillot of Trevillot werd genoemd.

Marin Marais, (atelier)André Bouys, 1704

Hof van de Zonnekoning

Bij de musici van het Franse hof waren Italiaanse instrumenten erg in trek. Wat het bouwen van strijkinstrumenten betreft, had het hof al vele jaren een relatie met de familie Amati uit Cremona. Tot twee keer toe had Andrea Amati, die met zijn beide zonen samenwerkte, instrumenten mogen leveren. De invloed van ook andere Italiaanse bouwers was in Parijs zichtbaar. Instrumenten van Nicolò Amati, Antonio Stradivari, Carlo Bergonzi en Giovanni Battista Grancino waren vertegenwoordigd in de beide hoforkesten. Het meest vermaarde daarvan was wel het “Les Vingt-quatre Violons du Roi”, dat altijd speelde bij koninklijke ceremonies.  

Aan die Italiaanse invloed kwam geleidelijk een eind. Onder invloed van een groeiend nationalisme stopte het hof met het laten bouwen van strijkinstrumenten in Italië. Franse bouwers maakten deze naar behoefte en voorkeur van de musici.

Jacques Boquay mocht rond 1710 enkele instrumenten leveren aan de Chapelle Royale van Louis XIV, de Zonnekoning. Een daarvan was een Basse de Violon (de voorloper van de cello). De levering viel vrijwel samen met de kroning van zijn opvolger in Château de Versailles. Dat evenement werd opgeluisterd door 200 musici. In 1711 trouwde Jacques Boquay. Parijs was in de periode van Louis XIV enorm gegroeid en onder zijn invloed was een gunstig klimaat voor de muziek, ballet en opera ontstaan.

Na de dood van de Zonnekoning in 1715, begon zijn zoon Louis XV met concerten in een zaal van de Tuilerieën die vlak bij Boquay lag. Lully schreef daar muziek voor, vaak in grote bezetting. Marin Marais, zelf een virtuoos violist, schreef een enorm oeuvre voor viool waarvan een deel eveneens in de Tuilerieën werd uitgevoerd.

Instrumenten voor het hoforkest

Er bestaat een basviool van Boquay’s hand met de inscriptie: "Sit nomen Domini benedictum” op de zijkant, vermoedelijk uit 1720, waarop aan de achterzijde het koninklijk wapen staat geschilderd. Die moet hij gebouwd hebben voor één van de twee orkesten die resideerden in Versailles onder Martin Richard de Lalande, waar een dergelijk instrument in gebruik was.

De Tuilerieën eind 17e eeuw

Eerste vioolbouwers die school hebben gemaakt: Ecole “Vieux-Paris”

Jacques Boquay wordt vaak in één adem genoemd met een andere Parijse bouwer, Claude Pierray. Pierray’s instrumenten zijn iets eleganter terwijl die van Boquay over het algemeen zwaarder en van een goed, maar niet uitzonderlijk vakmanschap getuigen. Dendrochronologisch en vergelijkend onderzoek van verschillende Parijse instrumenten van rond 1693 laat zien dat er nog enkele bouwers waren die dezelfde leermeester moeten hebben gehad als Boquay. Autoriteit op het gebied van de Parijse vioolbouw, Sylvette Milliot, onderscheidt drie periodes in een school die aangeduid wordt met “Vieux-Paris”. Pierray en Boquay voerden de eerste generatie daarvan aan. Die lag zo tussen 1700 en 1740. Het feit dat daarbinnen nog een “school van Boquay” onderscheiden werd, wijst er op dat Charles Boquay meerdere leerlingen of navolgers moet hebben gehad.

Het hout dat Jacques Boquay gebruikte, was van goede kwaliteit. Dat werd door meerdere houtverwerkende ambachtslieden collectief aangeschaft en binnen de stad aan de oevers van de Seine afgeleverd.

Bouw en afwerking

Voor zijn instrumenten gebruikte Boquay wel het model van Amati, maar hij paste een andere afwerking toe: een onderlaag van beenderlijm zonder kleurstoffen, met daaroverheen een mengsel van drogende olie en pijnboomhars dat later voor een natuurlijke, donkere verkleuring zorgde. Bij sommige instrumenten is een derde laag aangetroffen waarin wel kleurstoffen zaten. De lak die Boquay gebruikte was meestal donkerrood en niet erg transparant.

Gezien het betrekkelijk grote aantal violen dat er nog van hem bestaat, is Boquay een productieve bouwer geweest.

Bron: Tarisio

Boquay gebruikte twee verschillende gedrukte etiketten:

JACQUES * BOQUAY / RUE DARGENTEUIL / A PARIS 17..

De andere heeft een versierde rand,

Jacques Boquay /Rue d’Argenteuil / a Paris 17..

Bronnen

Dufour R., La musique Française au XVII et XVIII siècle, 1970, Parijs.

Bocour V, 2016, Handbook of materials of string musical instruments.

Dufourcq N, 1965, ”La Musique, les hommes, les instruments, les oeuvres…”, Parijs.

Milliot S. Documents Inédits sur les Luthiers Parisiens du XVIII° siècle, Paris.

Milliot S., 1960, Histoire de la Lutherie Parisienne du XVIIIe siècle, Spa

Gétreau, F. Instrumentistes et Luthiers Parisiens XVII° - XIX° siècle Ouvrage dirigé, Paris.

The Strad, mei, 1892. Londen.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
22 oktober 2025