
cello
Emma Warmelink


Sommerviller, de geboorteplaats van Pierre en Hippolyte Silvestre, was een onaanzienlijk dorp van 600 mensen aan de rivier de Meurthe. Hun vader Pierre Silvestre (I) was tot 1795 benedictijner monnik in Luneville geweest en had, na zijn uittreden de wijngaarden van zijn vroegere abdij verzorgd. In 1800 trouwde hij met Christine Baraban uit Sommerviller en bleef wonen in het dorp waar zijn vrouw vandaan kwam. In 1801 werd hun eerste zoon, Pierre, geboren, gevolgd door Hippolyte in 1808.
In 1804 had hun vader zijn roeping van monnik vaarwel gezegd en was leraar Franse taal- en letterkunde geworden aan een klein college in Saint-Nicolas-de-Port dat hij zelf had opgericht. Na enkele jaren werd hij leraar in Vézelise en verhuisde met zijn vrouw en hun twee zonen in 1810 naar Mirecourt waar hij in hetzelfde vak les ging geven. Erg veel geluk kende het gezin niet want van hun zes kinderen stierven er vier kort na hun geboorte. Ook hun vader stierf jong, Pierre (1801-1859) was zestien en Hippolyte (1808-1879) was acht. Hun oom Laurent Blaise, een van de vele goede vioolbouwers in Mirecourt, ontfermde zich over de twee jongens. Bij Blaise begon Pierre aan een opleiding tot vioolbouwer, kort daarna volgde Hippolyte hem ook in dat vak.
Om zijn opleiding tot vioolbouwer af te maken ging Pierre naar Nicolas Lupot in Parijs. Om bij Lupot aangenomen te worden, moet hij al een goede vakman zijn geweest, want Lupot was al in zijn tijd een grootheid in zijn vak. Hij was de ‘luthier van de Chapelle Imperiale’ van Napoleon en bleef ook na diens val als ‘luthier de la Chapelle Royale’ in dienst van de nieuwe machthebbers. Pierre Silvestre werd enkele jaren na zijn leertijd een van Lupot’s vaste medewerkers.
Pierre Silvestre kreeg ruimschoots de gelegenheid om instrumenten van Stradivari, Guarneri en andere meesters uit Cremona te bestuderen daar het Franse hof over een groot aantal instrumenten van deze bouwers beschikte. Die werden met enige regelmaat voor herstel of onderhoud toevertrouwd aan het atelier van Lupot.
Na de dood van Nicolas Lupot, in 1824, werd zijn atelier overgenomen door zijn schoonzoon en oud medewerker: Charles François Gand. Pierre Silvestre bleef nog vijf jaar voor Gand werken voordat hij in 1829 voor zichzelf begon. Niet in Parijs waar de concurrentie moordend was, maar in Lyon.
Lyon was de op een na grootste stad van Frankrijk, maar toen Pierre Silvestre er naartoe verhuisde, beschikte het over niet meer dan één oud opera gebouw en enkele kleine gelegenheden waar muziek werd uitgevoerd. Een rijk cultureel leven zoals in Parijs ontbrak. Toch had hij zijn nieuwe woonplaats goed gekozen. Na de revolutie en de machtsovername door Napoleon groeide het aantal amateurmusici dat op hoog niveau speelde en naar de mode van die tijd ook veel klein symfonisch werk uitvoerde. De stad had zich fel tegen de revolutie verzet en streek daar als beloning nu de revenuen van op. Tussen 1825 en 1850 werd er geïnvesteerd in opera- en andere orkesten, in een academie voor schone kunsten en in muziekscholen die veel amateurs en professionals opleidden. En er kwam zelfs een groot nieuw operagebouw.
De stad stond internationaal bekend om de bouw van diverse soorten muziekinstrumenten, maar vioolbouwers waren er nauwelijks. De vraag daarnaar explodeerde in de eerste helft van de 19e eeuw toen Lyon zich tot regionale hoofdstad ontwikkelde door zijn gunstige ligging nabij grenzen die bereikbaar werden door Napoleons nieuw aangelegde wegen. Voor handelaren van muziekinstrumenten werd Lyon een paradijs. Wel bleef Parijs het centrum voor vioolbouw, maar ver weg van de hoofdstad ondervond Pierre Silvestre daarvan nagenoeg geen concurrentie. De zaak van Pierre Silvestre profiteerde zo van de toegenomen vraag naar goede instrumenten, dat hij Hippolyte overhaalde om ook naar Lyon te komen.
Rond 1827 had Hippolyte Silvestre een deel van zijn opleiding bij Laurent Blaise voltooid. Blaise was geen grote bouwer, maar wel een goede leermeester. En Hippolyte bleek getalenteerd te zijn. Hij mocht zijn opleiding bij Jean Baptiste Vuillaume in Parijs voortzetten. Vuillaume was een charismatisch figuur die talloze vindingen op het gebied van vioolbouw op zijn naam had staan en zijn medewerkers aanzette tot bijzondere prestaties. Hij was ook een goede zakenman. Toen Hippolyte bij hem kwam werken stond het bedrijf aan het begin van een enorm succes. In tien jaar tijd groeide Vuillaume’s firma uit tot een bedrijf waar honderden instrumenten en strijkstokken per jaar werden gemaakt. Hippolyte klom na vijf jaar op tot een van Vuillaume’s vaste medewerkers.
De zaak van Pierre was al na twee jaar een groot succes. Zozeer zelfs dat hij zijn broer vroeg om de zaak verder te helpen uitbouwen. In 1831 stopte Hippolyte bij Vuillaume en ging als vakman met een schat aan ervaring naar Lyon. De broers openden een nieuwe zaak aan de Place des Terreaux dat een van de mooiste pleinen van de stad was en waar ook de Academie des Beaux-Arts en het stadhuis gevestigd waren. Een nieuw operahuis opende zijn deuren in hetzelfde jaar en lag op een steenworp afstand van ‘Maison Silvestre Frères’. Het trok musici en liefhebbers van muziek vanuit heel Europa naar de stad.
In 1844 deden de broers mee aan de ‘Exposition Nationale’ in Parijs en wonnen een bronzen medaille.
Pierre en Hippolyte bleven tot 1848 samenwerken. Daarna keerde Hippolyte terug naar zijn geboorteplaats Sommerviller om het rustiger aan te kunnen doen. De zaak was een groot succes en bleef dat ook na Hippolyte’s vertrek; hun instrumenten werden in heel Frankrijk verkocht, maar ook naar andere landen binnen Europa geëxporteerd.
Pierre overleed in 1859 en Hippolyte kwam terug naar Lyon om de leiding over te nemen van de firma die inmiddels was uitgegroeid tot een groot bedrijf. Hij bleef er tot 1865, waarna zijn zoon, Hippolyte Chretien (1865-1884) het overnam. Na zijn dood werd de zaak gesloten.
De verfijnde manier waarop de broers Silvestre werkten, leverde instrumenten op die gerekend kunnen worden tot het beste dat de traditionele Franse vioolbouwkunst van de negentiende eeuw heeft voortgebracht.
De samenwerking in Lyon heeft zeventien jaar geduurd. Zij bouwden voornamelijk naar de modellen van Stradivari en Guarneri.
Hun etiket luidde:
’Petrus et Hipolitus Fratres Silvestre Fecerunt Lugduni. Anno 1838 No:’

Bron: Tarisio
In de jaren van hun samenwerking bouwden zij samen een kleine 350 instrumenten, overwegend violen, minder vaak altviolen en maar enkele cello’s. Vrijwel allemaal gebouwd naar modellen van Antonio Stradivari en Guarneri del Gesù. De kleur week af van wat deze bouwers gebruikten; de broers werkten hun instrumenten meestal met een donker rode lak af.
Hun instrumenten laten excellent vakmanschap zien; ze zijn verfijnd in ieder detail en worden beschouwd als het beste dat in de negentiende eeuw in Frankrijk werd gebouwd. De kwaliteit betreft dan niet alleen de bouwwijze, maar ook de klank.
Reeds in hun tijd was het werk van beide broers Silvestre geliefd. Albert Jacquot (1853-1921) roemde hen al in zijn overzicht van Franse bouwers.
De broers deden in Lyon het meeste werk zelf, maar rond 1840 werd François ‘Malafoff’ Brugère (1825-1875) hun vaste medewerker.
Milliot S. en Perrin N. 2017, Lecture 1; journée Européenne de la Lutherie. Cordes sur Ciel.
Thöne J, 2008, Italian & French Violin Makers, Dubai.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2007, Italian & French Violin Makers, Keulen.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Millant R., 1979, J-B Vuillaume; Sa vie et son oeuvre. Hill&sons, London.
Jacquot A., 1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris.
Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2023.
Geneanet, geraadpleegd in 2023.
Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2023.