Doorgaan naar content
bouwer

Nikolai Kittel

*± 1806 , Sint-Petersburg      †1868 , Sint-Petersburg

Over het leven van Nikolai Kittel is maar weinig met zekerheid bekend, maar alleen de schaarse feiten die er over hem bestaan, spreken al sterk tot de verbeelding. Nikolai Ferdinandovitsj Kittel werd in 1805 of 1806 geboren als Oostenrijks staatsburger in Sint-Petersburg. Zijn ouders kwamen uit Wenen en waren kort voor zijn geboorte naar Rusland verhuisd.

Hij leerde het vak van vioolbouwer Nevall, een lid van het houtdraaiersgilde. Kittel bleek uitzonderlijk getalenteerd. Op zijn 22e werd hij al benoemd tot Instrumentmaker van het Keizerlijk Orkest in Sint-Petersburg en zeven jaar later tot hofleverancier van de tsaar. Dat zijn vakmanschap al vroeg de aandacht trok dankte hij aan de invloedrijke ‘Muziek Salons’, bijeenkomsten van de St Petersburgse aristocratie waar de muzikale trends werden bepaald, veelbelovend talent voorgesteld, nieuwe composities voorgespeeld en beroemde buitenlandse musici hun opwachting maakten. Verzamelaars van kostbare muziekinstrumenten toonden er hun nieuwe aanwinsten.

De strijkstokken van Kittel konden wedijveren met die van de grote François Xavier Tourte. Extravagante materialen, voortreffelijk vakmanschap en schoonheid van toon, hebben Kittels strijkstokken wereldwijd tot fel begeerde stukken gemaakt.
Werkplaats(en)
Sint-Petersburg, 1825-1868

Leven en loopbaan

Nikolai Ferdinandovitsj Kittel werd rond 1806 in Sint-Petersburg geboren, maar was Oostenrijks staatsburger. Zijn ouders kwamen uit Wenen en waren kort voor zijn geboorte naar Rusland verhuisd. Over de eerste jaren van zijn leven is niets bekend, maar in 1820 begon Nikolai aan een opleiding bij een vioolbouwer die, volgens het certificaat van vakmanschap dat hij vijf jaar later ontving, de naam Nevall droeg.

Aan het begin van de negentiende eeuw hadden de Russen nog geen serieuze vioolbouwtraditie. Het waren overwegend buitenlandse bouwers die hun ervaring en kennis op dit vakgebied naar Rusland brachten. In Moskou zaten veel Fransen, opgeleid in Mirecourt en in St. Petersburg domineerden de Duitse vioolbouwers die opgeleid waren in Markneukirchen. Ze woonden en werkten er dicht bij elkaar in de buurt. Zowel binnen als buiten de vioolbouwateliers in Sint-Petersburg troffen de Duitse bouwers elkaar en wisselden kennis uit. Over de vioolbouwer Nevall waar Nikolai zijn opleiding deed is niets bekend, maar zeer waarschijnlijk had hij een Duitse achtergrond.

Centraal in het muziekleven van Sint-Petersburg stonden de muzieksalons. Dat waren bijeenkomsten die door de aristocraten gegeven werden voor een brede kring van bezoekers; intellectuelen, bohemiens, schrijvers en musici. Vrijwel dagelijks vond er wel een salonbijeenkomst plaats, soms in kleine kring met een beroemde musicus als gast, maar later ook werden er grotere bijeenkomsten georganiseerd met prominente gasten waaronder zelfs de Tsaar. Het aantal bezoekers van de muzieksalons gegeven door Mikhael Vilgorskii, opperrechter van het hof, componist en cellist of zijn collega Vladimir Odoevskii die muziektheoreticus en componist was, kon oplopen tot honderd gasten per keer. Ze duurden vaak tot in de vroege ochtend. Het programma werd met zorg samengesteld, sprekers, dichters en zangers werden uitgenodigd en de concerten goed voorbereid. Verzamelaars van muziekinstrumenten toonden er hun nieuwste aanwinsten. Onder de uitvoerende musici waren veel Fransen. De violist Pierre Rode, de eerste Solist van de Tsaar en auteur van de ‘Méthode de violon du Conservatoire’, was vaak in de Salons te gast, net als zijn opvolgers Charles Philip Lafont en François Adrien Boieldieu die de hofcomponist van de Tsaar was. De salon bijeenkomsten werden uitgebreid becommentarieerd en er werd vaak verslag over gedaan in de kranten.

Het certificaat dat Nikolai Kittel in 1825 van het gilde ontving, was een officieel document dat hem in staat stelde te reizen en dat de lezer ervan verzocht alles in het werk te stellen om hem behulpzaam te zijn. De Russische samenleving was sterk gebaseerd op traditionele en zelfs feodale waarden waarin gilden nog een machtige positie hadden. Zonder toestemming van het gilde had Nikolai zich nergens in Rusland kunnen vestigen.

Nikolai Kittel opende kort na zijn opleiding een eigen zaak. En een jaar later, in 1827 werd hij aangesteld tot Instrumentenmaker van het Keizerlijk Orkest. De instrumenten die hij vanaf dat jaar bouwde voorzag hij van een etiket waarop zijn titel als Instrumentmaker van het Keizerlijk Orkest stond. Zijn werk bleef niet onopgemerkt. Correspondentie uit het Kittel-atelier en zijn benoeming tot muziekinstrumentenleverancier aan het Sint-Petersburgse Hof laten zien dat hij rond 1835 onder zijn klanten de vermogenden elite van St Petersburg mocht rekenen.

Passend bij zijn nieuwe status opende Nikolai Kittel rond 1840 een zaak aan het zeer chique Nevski Prospect. Daar nam hij vermoedelijk al snel enkele vioolbouwers in dienst.

Een jaar later trouwde hij met Carolina Louisa Tornau. Voor het huwelijk kreeg hij na lang aandringen dispensatie daar Carolina Lutherse was en de plechtigheid in de katholieke kathedraal plaats vond. Zijn relatie met de elite van Sint-Petersburg was van dien aard dat een van hun getuigen de adviseur van Tsaar, Jacob Lepunov was. Twee jaar later werd hun zoon Nikolai II geboren en in 1844 hun dochter Katarina.

De klanten van Nikolai Kittel kwamen voornamelijk uit kringen rondom muzikale salons. Studies van Azernikova en Palii wijzen er op dat de salons in Sint-Petersburg tot halverwege de negentiende eeuw dé plaatsen waren waar de trends en muzikale stromingen ontstonden en waar opkomende namen van musici en componisten werden gelanceerd. Bijna dagelijks vond er wel ergens in St Petersburg een salonbijeenkomst plaats. Bezoekers van de salons speelden eigen composities die vaak goed werden ontvangen. Ogarkova onderstreept het belang van de muzieksalons voor liefhebbers en verzamelaars van muziekinstrumenten.

Een van die verzamelaars en organisator van een belangrijke Salon was de violist en componist van het officiële Russische volkslied Prins Aleksej Fjodorovitsj Lvov. Samen met zijn broer bezat hij de belangrijkste partituur- en strijkinstrumentencollectie in Rusland. Daarin zaten onder andere drie Stradivari violen, twee Amati’s, een Maggini, een Guarneri del Gesù en veel strijkstokken van grote Franse makers. Volgens Lev Ginsburg, de biograaf van Vieuxtemps, werden die tijdens de salon-bijeenkomsten van Prins Lvov en zijn goede vriend en medeverzamelaar prins Nikolai Golitsyn regelmatig getoond en bespeeld. Gezien het feit dat Nikolai Kittel de enige belangrijke vioolbouwer in Sint-Petersburg was en contacten met het hof onderhield, was hij vrijwel zeker betrokken bij aan- en verkoop van de instrumenten voor deze verzamelaars.

Veel beroemde musici uit heel Europa werden naar de Sint-Petersburgse salons gehaald. Robert en Clara Schumann waren er te gast, evenals List en Donizetti, Meijerbeer en Vieuxtemps. Velen lieten zich door de salonbijeenkomsten inspireren om zelf kamermuziek te gaan spelen. De vermogende amateurmusici die uit de kringen rondom de salons voortkwamen konden zich kostbare instrumenten veroorloven, zoals oude Italiaanse violen en cello’s en de strijkstokken van Nikolai Kittel.

In Sint-Petersburg was de elite overwegend op Frankrijk georiënteerd. De voertaal was Frans en er werd meer Franse muziek uitgevoerd dan Duitse. Wellicht was dat mede de reden dat Nikolai Kittel voor de opleiding van zijn zoon naar het Franse Mirecourt ging. In 1858 trokken vader en zoon naar deze stad waar de beste Franse vioolbouwers en strijkstokkenmakers vandaan kwamen of hun opleiding hadden genoten. Nikolai keerde korte tijd later naar St Petersburg terug, maar zijn zoon volgde twee jaar lang een opleiding bij de vioolbouwer Honoré Dérazey. Honoré had negen jaar bij Jean Baptiste Vuillaume in Parijs gewerkt en maakte instrumenten naar de grote Cremonese meesters. Na terugkomst in Sint-Petersburg ging Nikolai II weer bij zijn vader in de zaak.

In 1857 begonnen de groothertogin Elena Pavlovna, de tante van Tsaar Alexander II, samen met Anton Rubinstein aan de voorbereiding van een vereniging die in Sint-Petersburg muziekonderwijs moest gaan verzorgen. Het werd een nieuw soort muzikale organisatie; de ‘Société Musicale Russe’. Elena Pavlova bood vanaf 1859 onderkomen aan deze organisatie in haar eigen huis, het Michailovski-paleis, waar de studenten hun lessen konden volgen. Pierre Rode was teruggegaan naar Parijs maar zijn ‘Méthode de violon du Conservatoire’ werd door de Société gebruikt. Deze Société werd later, mede door het goede onderwijs, het Petersburgs conservatorium.

De violist Henri Vieuxtemps die de status van wereldster had, was na een tournee door Europa inmiddels in Sint-Petersburg neergestreken. Hij werd van 1846 tot 1851 solist van het keizerlijke theater en was in de salons een graag geziene gast. Hij bezat zes strijkstokken van Nikolai Kittel. Gezien het feit dat Vieuxtemps’ carrière hem toegang gaf tot de beste violen en strijkstokken ter wereld, moet zijn keuze om met Kittel-strijkstokken te spelen Nikolai’s reputatie hebben versterkt.

Gabriel, Grünke en Chin zijn tot de conclusie gekomen dat er vier of vijf bekwame medewerkers bij Nikolai Kittel in dienst waren die een hand hadden in het maken van de Kittel-strijkstokken, maar welke strijkstokken van zijn eigen hand waren is niet bekend. Wel is met zekerheid de hand van de Duitse maker Heinrich Knopf (1839–1875) vastgesteld.

De Russische aristocratie was tot halverwege de negentiende eeuw vermogend, competitief en bood tegen elkaar op met de aanschaf van kostbare Italiaanse en Franse instrumenten. Een verzamelaar streefde ernaar tenminste één Stradivari in zijn collectie te hebben. In het tweede deel van de eeuw nam het vermogen van de aristocratie af en moesten zij noodgedwongen veel instrumenten verkopen. Charles-Eugène Gand, kenner en handelaar in Parijs, bood in 1886 de ‘St. Senoch' Stradivari-cello van een verzamelaar uit Sint-Petersburg aan met de vermelding dat het de cello was die eerder door Kittel was gekocht. En zo kwamen ook veel strijkstokken van Kittel in Europa terecht. Een belangrijk deel van Kittels inkomsten zal uit deze handel hebben bestaan.

Nikolai Kittel stierf in 1868 op 63 jarige leeftijd. In Petersburgse kranten verscheen een rouwadvertentie op groot formaat. Na zijn dood verkocht Nikolai II de zaak en vertrok naar Viborg, 130 kilometer van Sint-Petersburg vandaan, tegen de grens van Litouwen aan. Daarna zijn er van hem geen instrumenten of strijkstokken meer bekend.

Werk en invloed

Hoewel aangenomen wordt dat er nog andere bestaan, zijn er maar drie strijkinstrumenten van Kittel overgebleven. Een cello uit 1828, een uit 1833 met op het etiket ‘N. Kittel, Faiseur d’instruments pour les Theatres Imperiaux de St. Petersbourg, 1833’, en een cello zonder jaartal. De rest van zijn werk bestaat uit strijkstokken.

Nikolai Kittel kon aanvankelijk niet alleen van nieuwbouw leven. James Fleming noemt Kittel in 1892 "een prima reparateur, en ook een voortreffelijke strijkstokkenmaker.” Reparatie en restauratie maakte waarschijnlijk een belangrijk onderdeel uit van zijn inkomsten. Pas zijn aanstelling aan het hof veranderde dat.

Graaf Nikolai Demidov, adviseur van de Tsaar, had in 1813 van zijn verblijf als diplomaat in Parijs een kostbare strijkstok van Tourte mee terug genomen. Demidov was een graag geziene gast in de Sint-Petersburgse salons en stond erom bekend zijn vondsten daar graag te tonen. De Tsaar deed in 1837 een klemmend verzoek aan Demidov om deze strijkstok cadeau te doen aan de violist Henri Vieuxtemps. Kittel onderhield al vroeg in zijn loopbaan contact met hem. Deze strijkstok van Tourte is vermoedelijk de basis geweest voor de rest van Kittels werk.

De vroegst bekende strijkstokken kunnen rond 1830 gedateerd worden. Ze hebben veel weg van Tourte, maar zijn iets forser. Al snel begint een periode waarin hij zeer kostbare strijkstokken maakt. Ze hebben vaak een gouden montuur en een slof van schildpad. De productie daarvan gaat door tot het midden van de eeuw. Na 1850 komen er in vergelijking tot de eerste periode minder kostbare stokken voor. Vanaf 1860, wanneer Knopf voor hem gaat werken, zijn er vrijwel geen stokken met kostbare materialen teruggevonden. De reden voor dit verloop is dat Rusland de Krimoorlog verloor en de Tsaar het lijfeigendom afschafte. De enorme kosten die dat met zich meebracht werden op de aristocratie verhaald door hen torenhoge belastingen op te leggen.

Gedurende een periode van meer dan vier decennia heeft Kittel verschillende medewerkers gehad. Toch is zijn oeuvre over deze veertig jaar buitengewoon consistent. Dat lijkt erop te wijzen dat Kittel zelf verantwoordelijk was voor de aanvoer van de extravagante materialen die hij voor zijn strijkstokken gebruikte en voor de gedetailleerde specificaties die hij aan zijn medewerkers oplegde.

Grünke en Gabriel vergelijken het bedrijf van Kittel met dat van Jean Baptiste Vuillaume in Parijs. Vuillaume was, net als Kittel opgeleid als vioolbouwer en toch produceerde zijn atelier strijkstokken van hoge kwaliteit, soms volgens specificaties van Vuillaume, en gebrandmerkt met zijn naam. Vuillaume had enkele van beste strijkstokkenmakers in dienst en tientallen vioolbouwers. Alle ambachtslieden die voor Vuillaume werkten, leverden voor hém hun beste werk, daarvoor of daarna bereikten ze vrijwel nooit dat niveau. Die vergelijking heeft betrekking op de invloed die Kittel op de mensen gehad heeft die voor hem werkten en niet op zijn productie. Kittels atelier was zo gering dat er maar plaats was voor hooguit vier medewerkers en niet te vergelijken met de enorme werkplaatsen van Vuillaume.

Over wie zijn medewerkers waren is niet veel bekend. Het moeten uitstekende vakmensen zijn geweest; alle authentieke Kittel-strijkstokken hebben wat materialen, vakmanschap en speelkwaliteiten betreft, consequent een uitzonderlijk hoge standaard.

Fleming beoordeelt het werk van Kittel in 1892 al zo: ”De strijkstokken van deze maker zijn ongeveer gelijk aan die van Tourte.”

De enige strijkstokkenmaker die met zekerheid voor Kittel heeft gewerkt was Carl Heinrich Knopf. Hij was opgeleid door zijn oom Christian Friedrich en maakte strijkstokken voor de firma’s Bausch en Neuner vóór hij zich in 1868 als onafhankelijke maker in Berlijn vestigde. Vermoedelijk reisde Knopf vanaf 1865 heen en weer tussen Berlijn en St Petersburg, maar verbleef ook gedurende enige tijd in St Petersburg. Zijn werk voor anderen varieerde in kwaliteit, maar voor Kittel gebruikt hij de beste materialen en maakte superieure stokken.

Het hout dat Kittel toepaste was van uitzonderlijke kwaliteit. St Petersburg was een havenstad waar jaarlijks 1600 ton pernambuco- en brasilhout werd ingevoerd. Uit het hout werd een rode kleurstof gehaald voor het verven van textiel, maar het was niet geselecteerd op bruikbaarheid voor strijkstokken. Vermoedelijk vond Kittel daar maar kleine hoeveelheden geschikt materiaal tussen. Hele stammen of grote voorbewerkte partijen hout zoals zijn Franse en Duitse collega’s vaak hadden, kocht hij vermoedelijk niet. Het hout van alle Kittel-stokken die onderzocht zijn, komt van verschillende bomen. Het feit dat ze toch van bijzonder goede kwaliteit waren zou kunnen betekenen dat hij zelf kleine hoeveelheden bij de Sint-Petersburgse houthandels selecteerde, of dat hij in Frankrijk leveranciers had die in zijn opdracht materiaal zochten.

Na zijn dood begon de verdere verspreiding van Kittels roem in Europa en Amerika door grote musici die zijn strijkstokken prezen. Leopold Auer was één van hen. Hij was concertmeester van de Keizerlijke Theater van Sint-Petersburg en viooldocent aan het Conservatorium van Sint-Petersburg. De Auer-klas aan het conservatorium was oefenterrein voor enkele van de meest invloedrijke violisten van die tijd, waaronder Heifetz, Milstein en Elman. Als de belangrijkste vioolpedagoog van zijn generatie had Auer een grote invloed op de instrumentkeuze van zijn studenten. Auer bezat zelf enkele Kittel-strijkstokken. Een ervan schonk hij aan zijn leerling Jascha Heifetz. Die gaf te kennen aan de ‘Kittel’ de voorkeur te geven boven alle andere strijkstokken waarmee hij gespeeld had. Heifetz zag vermoedelijk ook het delicate van de Kittelstok in, want hij scheef; ‘Ik heb gelukkig veel andere strijkstokken, want mijn Kittel moet veel rusten’. De overweldigende invloed van Heifetz op het vioolspel in Europa zorgde voor een verdere verspreiding van Kittels roem.

De beide strijkstokken die Het Muziekinstrumentenfonds van Kittel in de collectie heeft, zijn onderzocht door het team dat het standaardwerk over Nikolai Kittel heeft samengesteld. De cellostok werd zelfs geselecteerd om, met slechts vier andere stokken, op ware grootte te worden afgebeeld in het boek.

Bronnen

Grünke, Gabriel, Chin, Lim, 2011, The bows of Nikolai Ferdinandovich Kittel, Keulen.

Nicholas Kittel, The Russian Tourte , Arthur Herman, The Strad, juli 1931.


Universal Dictionary of Violin and Bow Makers , William Henley, 1957.

Fleming J.M., 1892, Fiddle Fancier's Guide.

Retford W.C., 1964, Bows and Bow Makers.


Whistler G, Nikolaus Ferder Kittel: The Russian Tourte, Music Journal, mei en september 1965.


Palii, E., 2008., The Salon as a Phenomenon of Culture in St Petersburg of the 19th Century: Traditions and Contemporaneity, Moskou.

Ogarkova N. A., 2020, The Music Salon in St Petersburg in the First Half of the 19th Century, St Petersburg.

Azernikova, I., 2011, The Salon Culture of the Russian Nobility in the First Half of the 19 century: Origins and Traditions, St Petersburg.

Tarisio, the Cozio archive, bezocht in 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
20 april 2021