Doorgaan naar content
bouwer

Jean Joseph Martin

*1837 , Mirecourt      †1910 , Mirecourt

Toen Jean Joseph Martin op zijn 21ste van het stadje Mirecourt, in het noord-oosten van Frankrijk, in tien dagen naar Parijs liep, wist hij nog niet dat hij zich zou bevrijden uit de anonimiteit waarin veel strijkstokkenmakers in zijn geboortestad verkeerden. In Parijs zou hij naam gaan maken bij een van de meest gerenommeerde vioolbouwers van zijn tijd: Jean Baptiste Vuillaume. Daar hield hij zich jaren lang voornamelijk bezig met strijkstokken van het model dat Vuillaume ontwikkeld had. Ook ontmoette hij daar zijn toekomstige schoonvader. Jean keerde terug naar Mirecourt, trouwde met diens dochter en kreeg nog in dat jaar een zoon. Met steun van zijn schoonfamilie zette hij een atelier op dat aanvankelijk erg goed liep, maar later opging in een coöperatie. Van deze ‘Union’ was Martin de initiatiefnemer en werd manager. Verenigd in de ‘Union’ gingen de deelnemers de concurrentie aan met de grote ateliers waar duizenden strijkstokken per jaar gemaakt werden. Helaas slaagden zij daar niet in.

Na vijf jaar dreigde het faillissement van de Union en de 44-jarige Martin raakte zelf alles kwijt. Bijna 30 jaar werkte hij in betrekkelijke armoede verder, maar zijn strijkstokken bleven van goede kwaliteit. Gedurende zijn hele loopbaan maakte hij, ondanks de hoogte- en dieptepunten, een indrukwekkend aantal goede tot zeer goede strijkstokken. Op zijn 73e stierf hij in het harnas. Zijn strijkstokken worden heden zeer gewaardeerd.
Werkplaats(en)
Mirecourt, ±1852-1858
Parijs, 1858-1863
Mirecourt, 1863-1910

Leven en loopbaan

Jean Joseph Martin was de zoon van Claude Louis Martin (1811-1854) en Anne Cunisset (1811-1900). Zijn vader werkte in één van de talloze vioolbouwateliers die Mirecourt rijk was. Het stadje was de bakermat van de grote Franse traditie op het gebied van vioolbouw en strijkstokkenmakerskunst. De meeste grote Franse bouwers waren er geboren of hadden daar hun opleiding gevolgd.

Jean Joseph’s vader stierf toen hij zeventien was. Na de dood van zijn vader hertrouwde zijn moeder niet meer en Jean onderhield het gezin met wat hij verdiende. Het was min of meer vanzelfsprekend dat Jean opgeleid zou worden in een van de ateliers in Mirecourt. Welke dat geweest is, valt niet te achterhalen. Hij komt niet voor op loonlijsten, ook wijst zijn vroegste werk nog niet eenduidig in de richting van een atelier in het bijzonder. Van zijn 12de, het jaar waarop leerlingen gewoonlijk aan hun leertraject begonnen, tot zijn 21ste ontwikkelde hij zich zo goed dat hij in dat jaar aangenomen werd door Jean Baptiste Vuillaume (1798-1875) in Parijs. In Mirecourt was de armoede onder strijkstokkenmakers vaak erg groot en Parijs dat 1,5 miljoen inwoners telde bood ambitieuze vakmensen een beter perspectief. Geld om de postkoets naar Parijs te betalen had hij niet, dus legde hij de afstand van 350 km in iets minder dan twee weken te voet af.

In het jaar dat Jean Joseph Martin bij Jean Baptiste Vuillaume begon, was diens firma in tien jaar uitgegroeid tot een bedrijf met twee vestigingen waar zo’n 250 instrumenten en 1000 strijkstokken per jaar werden gemaakt. In tegenstelling tot andere ateliers waar massaproductie vaak tot inferieure resultaten leidde, werden in het atelier van Vuillaume uitstekende strijkstokken en strijkinstrumenten gemaakt. In Vuillaume’s atelier heerste een streng regime waar alleen het beste goed genoeg was. Talloze grote strijkstokkenmakers en vioolbouwers hebben bij hem gewerkt. Vuillaume daagde zijn medewerkers vaak uit om te experimenteren. Niet zelden claimde hij de vondst later als die van zichzelf, maar beloonde hen wel met een betere positie.

Jean Joseph Martin ontmoette daar François Nicolas Voirin (1833-1885) die een belangrijke rol bij Vuillaume speelde en Nicolas Maire (1800–1878), met wie hij bevriend werd. Al snel werd Jean Joseph een van de meest vooraanstaande strijkstokkenmakers in Vuillaume’s atelier. Zijn stokken van het Vuillaume-model behoren, volgens kenners, tot het beste die er ooit voor de firma gemaakt zijn.

Bij Vuillaume leerde hij ook George Mougenot (1843–1937) kennen. George was evenals Jean Joseph afkomstig uit Mirecourt en kwam uit een belangrijke familie van vioolbouwers. Met diens dochter Rose trouwde hij in 1863 nadat hij teruggekeerd was naar Mirecourt. Samen kregen zij in dat jaar een zoon, Louis Auguste die hij later het vak zou leren.

In Mirecourt begon Jean Joseph Martin met steun van zijn schoonfamilie een eigen atelier. Daarin maakte hij samen met enkele medewerkers rond 1870, 144 strijkstokken per maand. Dat duurde echter niet lang. Om andere vioolbouwers te helpen om de steeds groeiende concurrentie het hoofd te bieden, richtte Jean Joseph in Mirecourt de ‘Union Ouvrière’ op, een samenwerkingsverband waar enkele firma’s en ongeveer 10 individuele medewerkers aan deelnamen. Dat waren onder andere Arthur Joseph Vigneron, Delunet en vader en zoon Langonet. Een foto uit 1880 toont hoe zij samenwerkten in het atelier van Martin. Jean Joseph gaf leiding aan de groep. Hij liet de Union officieel inschrijven, indrukwekkend briefpapier drukken en samen verkochten zij hun instrumenten, strijkstokken en accessoires. De Union leverde niet alleen aan particulieren, maar ook aan andere bedrijven, zoals aan het grote atelier van Jérôme Thibouville-Lamy. Toen J.T.L. een nieuwe afdeling voor het maken van strijkstokken op wilde zetten, hielp Jean Joseph Martin hem daarbij. Dat J.T.L. mede daardoor een van zijn grootste concurrenten zou worden, realiseerde hij zich vermoedelijk niet.

Het experiment mislukte echter. Na vijf jaar, in 1880, dreigde het faillissement voor de Union. En omdat Martin daar verantwoordelijk voor gehouden werd, trof het bankroet hem persoonlijk. Hij vroeg aan George Chanot (1831–1895) in Parijs om zijn zoon een plaats te bieden in zijn atelier en voor de anderen zocht hij een oplossing voor de gerezen problemen. Zelf moest hij zijn huis uit. Hij was 44, maar het debacle had hem kennelijk zo geraakt dat hij er niet echt meer bovenop kwam. Hoewel hij vanaf dat moment in armoede leefde, maakte hij tot zijn 73e nog strijkstokken.

Ongeacht de wisselende levensomstandigheden waarin Jean Joseph verkeerde, maakte hij een groot aantal goede tot zeer goede strijkstokken, die ook nu nog hoog gewaardeerd worden.

Werk en invloed

Halverwege de negentiende eeuw was het model strijkstok van Peccatte nog het meest gangbaar. Dat waren krachtige, robuuste strijkstokken. Die stokken maakte Jean Joseph Martin in zijn begintijd veelal. Onder invloed van de veranderende muziekpraktijk ontstond de vraag naar meer elegante, soepele en slankere stokken. Vanaf zijn tijd bij Vuillaume in Parijs, legde hij zich helemaal toe op een nieuw ontwerp dat Vuillaume ontwikkeld had; elegant, licht en met afgeronde kanten van de slof. Hij zou er vele honderden van maken.

Ook nadat hij terug was gekeerd naar Mirecourt ging hij daar mee door. De rest van zijn leven zou dit model veruit het grootste deel van zijn oeuvre uitmaken. Voor de slof gebruikte hij naast het gebruikelijke ebbenhout, ook schildpad. Vrijwel alle stokken zijn voorzien van zilveren onderdelen. De zilveren onderschuif van de strijkstokken die hij voor Emile Mennesson maakte liet hij soms graveren met bloemmotieven. Deze stokken werden gestempeld met de fictieve naam J. Guarini. Zelf stempelde hij zijn stokken met J. Martin.

Hij heeft strijkstokken gemaakt voor John en Arthur Beare, Joseph Hel, Carolus Henry, Emile Mennesson, de weduwe van François Nicolas Voirin en Jean-Baptiste Vuillaume.

De strijkstok die Het Muziekinstrumentenfonds van hem in de collectie heeft is gestempeld met de naam F.N. Voirin. Die maakte hij in de periode dat hij als kleine zelfstandige zijn diensten aanbood aan andere ateliers. Het is vermoedelijk een van de zng. ‘weduwe’ strijkstokken. Nadat François Nicolas Voirin in 1885 gestorven was, zette zijn weduwe de zaak nog zeven jaar voort. In die periode maakten andere strijkstokkenmakers, waaronder Martin, werk voor haar.

Bronnen

Millant B., Raffin J.F., 2000, l`Archet: les archetiers Français 1750-1950. Paris.

Vatelot E., 1976, Les Archets Français, Nancy.

Haine, M., 2013, Les Marques de fabrique des facteurs d’instruments de musique déposé au greffe de Tribunal de commerce de Paris. zp.

Tarisio, Cozio, digital Archive, geraadpleegd 2020.

Childs P., 1986, The bow makers of the Peccatte family, New York.

Geneanet, geraadpleegd in 2020.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2020.

Mesdemarches.culture.france, geraadpleegd in 2020.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
5 maart 2020