Doorgaan naar content
bouwer

Giuseppe Fiorini

*1861 , Bazzano      †1934 , Munchen

Giuseppe Fiorini werd in 1861 geboren als zoon van een vioolbouwer die ook de molenaar van de plaatselijke houtzagerij was. Op zijn zesde verhuisde het gezin naar de binnenstad van Bologna. Daar begon zijn vader een atelier in het paleis Pepoli Vecchio. Van hem leerde hij het vak, maar na onenigheid over hun verschillende opvattingen vertrok hij. Rond zijn 24ste jaar opende hij in Bologna een eigen atelier. Op een van zijn reizen leerde hij de dochter van Andreas Rieger kennen, trouwde met haar en zette zijn loopbaan in München voort. Daar ging hij een partnerschap aan met zijn schoonvader. Na diens dood zette hij het bedrijf alleen voort.

Naast bouwer was Giuseppe Fiorini een groot kenner en handelaar in strijkinstrumenten. Rond de eeuwwisseling kreeg hij internationale erkenning als expert. Ook werd hij gezien als een van de beste vioolbouwers van zijn tijd. Hij richtte het Duitse verbond van vioolbouwers op en werd er jaren lang voorzitter van. Door zijn contacten wist hij tijdens de eerste wereldoorlog naar Zwitserland te ontkomen. Daar kocht hij de collectie van Stradivari’s werkplaats-inventaris.

In 1923 ging hij naar Rome en keerde in 1933 weer naar München terug waar hij een jaar later stierf. Zijn instrumenten zijn gebaseerd op die van Stradivari en zijn van de allerhoogste kwaliteit.
Werkplaats(en)
Bologna, 1876-1888
Munchen, 1888-1915
Zurich, 1915-1923
Rome, 1923-1933

Leven en Loopbaan

Giuseppe Fiorini groeide op in het landelijke gebied ten westen van Bologna. Raffaele Fiorini, zijn vader, was molenaar van de houtzagerij in het gehucht Bazzano. Rond zijn twintigste had hij van de musici Giovanni en Ignazio Tadolini (resp. 1789-1872, 1797-1873) geleerd om violen te bouwen Die hadden de Franse manier van bouwen mee naar Italië gebracht en Raffaele’s vroege werk was daar dan ook op gebaseerd. Zoals alle vioolbouwers in die tijd, kon ook Raffaele Fiorini van vioolbouw alleen niet leven en bleef hij molenaar tot hij voldoende kennis en contacten had om in Bologna een vioolbouwatelier te beginnen. Toen Giuseppe zes was verhuisde het gezin naar de binnenstad. Daar betrok Raffaele een grote ruimte in het voorname centrum voor kunst en cultuur: het Palazzo Pepoli Vecchio. Giuseppe voelde zich aangetrokken door het werk van zijn vader en begon al jong bij hem in het atelier, waarin hij vanaf zijn zesde al had rondgelopen.

Fiorini’s atelier was levendig en werd druk bezocht door ander vioolbouwers met wie hij graag kennis uitwisselde. Ook waren er studenten te vinden die in grote getale naar Bologna gekomen waren om een nieuwe vioolspel-techniek te volgen die aan het conservatorium van Bologna werd gegeven. Als een van de oudste Europese universiteitssteden had de stad altijd al jonge mensen aangetrokken. Mede daardoor kon het in navolging van de laat negentiende eeuwse tijdgeest vol optimisme beginnen aan een nieuw elan, waarvan het geloof in de vooruitgang door wetenschap en techniek de drijfveer was. Het muziekleven bloeide weer en het aantal vioolbouwers nam toe. De Emilia-Romagnese bouwers borduurden voort op de ‘klassieke periode’, maar ontwikkelden een eigen, meer moderne stijl. Daar was Fiorini de grondlegger van.

Raffaele Fiorini bouwde zijn instrumenten gebaseerd op modellen van de klassieke vioolbouwers Amati en Guarneri, maar de manier waarop hij deze bouwde was Frans. Een bouwwijze die onder invloed van de Franse overheersing in de negentiende eeuw in een groot deel van Noord-Italië gevolgd werd; ook Giuseppe leerde die bouwwijze. Hij leerde hoe instrumenten tegen de binnenkant van houten mallen gebouwd konden worden, net zoals zijn vader dat deed. Deze manier van werken bood een grote mate van vrijheid aan de bouwer om een eigen creatief proces te volgen, maar was niet ècht Italiaans. Althans niet zoals de oude Cremonese meesters dat deden. In de loop van de tijd brak Giuseppe Fiorini met de Franse traditie. De relatie tussen vader en zoon kwam daardoor onder druk te staan en leidde in 1885 tot zijn vertrek.

In juni van dat jaar opende Giuseppe zijn eigen werkplaats in het Palazzo Santo Stefano. Gelegen aan een levendig plein, omringd door historisch gebouwen, lag het maar een steenworp lengte van zijn vaders atelier af. Hij was dan wel zelfstandig, maar nog niet zo succesvol dat hij de hoge huur kon betalen, daarom verhuisde hij in 1887 naar Corte de’ Galluzzi, in de nabijgelegen historische kern van de stad waar tweehonderd jaar eerder de vioolbouwer Giovanni Tononi gewoond en gewerkt had. Vanaf dat moment kon hij echt naar eigen inzicht bouwen.

Al in 1881 was Giuseppe naar Milaan geweest om daar de instrumenten, gereedschappen en mallen van Stradivari te bekijken die graaf Cozio de Salabue tentoongesteld had. Dat had hem doen besluiten om niet alleen de modellen van Cremonese meesters over te nemen, maar ook hun werkwijze.

Bij zijn vader had hij al contacten gelegd met veel Italiaanse bouwers; zij hadden zijn belangstelling gewekt voor restauraties en expertise van oude meester instrumenten. Bovendien zag hij mogelijkheden om naast het bouwen en repareren, zijn inkomsten te vergroten met de handel in oude instrumenten. Rond 1880 reisde hij veel en breidde die handelscontacten uit tot ver in Europa. Acht jaar later had hij zoveel relaties opgebouwd dat hij een tentoonstelling in Bologna kon organiseren van antieke instrumenten die uit heel Europa bijeen waren gebracht. De belangstelling daarvoor was groot; niet in de laatste plaats omdat er veel mensen af waren gekomen op de activiteiten om het 800 jarig bestaan van Bologna’s universiteit te vieren. In hun publicaties werd de naam van Giuseppe Fiorini veelvuldig genoemd. Ze nodigden hem zelfs uit om een aantal artikelen over vioolbouw te schrijven. In datzelfde jaar ontving hij een gouden medaille voor zijn inzending naar de belangrijke ‘Grande Esposizione Emiliana’ die eveneens in Bologna gehouden werd. De festiviteiten rondom de tentoonstelling duurden zes maanden en trokken 500.000 mensen.

Op een van zijn rondreizen in Duitsland had Giuseppe Walburga Rieger ontmoet Zij was een van de zeven dochters van Andreas Rieger, een vioolbouwer in München. Met haar trouwde hij in 1889 en ging in München wonen. Rieger had een atelier in Mittenwald en opende een tweede in München dat hij tot 1898 samen met zijn schoonzoon Giuseppe Fiorini dreef. Alle zeven dochters van Rieger werkten erin mee. Veel bouwde Giuseppe in die periode niet, maar hij deed wel veel restauratiewerk en handelde voornamelijk, waardoor zijn expertise groeide. Nadat rond de eeuwwisseling zijn naam internationaal als expert gevestigd was, nam hij samen met enkele anderen het initiatief tot het opzetten van het verbond van Duitse vioolbouwers, waarvan hij later voorzitter werd.

In 1898, hetzelfde jaar dat Andreas Rieger stopte met werken en de zaak aan Giuseppe overliet, stierf Giuseppe’s vader. Officieel was hij Raffaele’s erfgenaam, maar van de nalatenschap zag hij grotendeels af. Na zijn bezoek aan Bologna schonk hij alles aan Raffaele’s meest toegewijde medewerker Monterumici die het atelier van zijn vader voortzette. Giuseppe mocht dan wel voor een andere richting dan zijn vader hebben gekozen, maar voor de Romagnese vioolbouwtraditie die deze had voortgebracht had hij diep respect gekregen.

‘Rieger und Fiorini’, zoals de zaak nog heette, liep zo goed dat hij het atelier in 1902 binnen München verhuisde naar een zeer voorname lokatie: de Karlsplatz. Zijn atelier was geliefd bij andere bouwers, kenners en musici, net zoals dat bij zijn vader het geval was geweest. Hij had meerdere leerlingen en werknemers, waaronder Ludwig Bart, Hans Edler, Gottfried Nairz. In die tijd werd Giuseppe Fiorini beschouwd als de beste vioolbouwer in Duitsland waardoor hij het zich kon veroorloven om alleen maar instrumenten in opdracht te bouwen. Onder zijn eigen naam werkte hij tot 1915 in München.

Aan het begin van de eerste wereldoorlog was Italië nog neutraal, maar een jaar later stonden Duitsland en Italië tegenover elkaar. Daardoor zag Giuseppe zich genoodzaakt om, geholpen door zakenvrienden, samen met zijn echtgenote naar het neutrale Zwitserland te vluchten. In Zürich begon hij opnieuw. Het zou een van zijn beste en meest productieve periodes worden. Niet in de laatste plaats omdat hij daar in 1916 een uitzonderlijk getalenteerde leerling kreeg: Ansaldo Poggi.

Inmiddels had Giuseppe Fiorini een internationale reputatie opgebouwd en onderhield vriendschappen met mensen uit de hoogste kringen van kunst, cultuur en royalty. Onder hen was de markiezin Paola della Valle de Pomaro. Zij was de eigenaar van Stradivari’s werkplaatsinventaris: tekeningen, recepten voor zijn fameuze lak, mallen en gereedschappen die Ignazio Cozio de Salabue aan haar had nagelaten. Na jaren onderhandelen verwierf Giuseppe Fiorini in 1920 deze collectie. Waar hij in 1881 in Milaan alleen maar naar mocht kijken, had hij eindelijk in handen gekregen.

Overtuigd dat zijn Stradivari collectie niet in Zwitserland thuishoorde maar in Italië, verliet hij Zürich in 1923. Hij ondernam pogingen om de collectie in een nieuw op te richten vioolbouwschool in Cremona onder te brengen en ging zelf naar Rome. Wel hield hij zijn atelier in Zürich aan. In Rome opende hij nog één keer een werkplaats. Langzaam ging zijn gezichtsvermogen achteruit waardoor hij een steeds groter beroep moest doen op zijn medewerkers Simone Sacconi en Ansaldo Poggi. Gezamenlijk bouwden zij daar tot 1933 nog tientallen violen, allemaal gebaseerd op Stradivari’s patroon. De Stradivari collectie schonk hij in 1930 aan de stad Cremona.

Uit de vele artikelen die Giuseppe heeft geschreven voor Duitse en Italiaanse tijdschriften blijkt wel dat hij niet alleen een uitermate kundig vioolbouwer was, maar ook een erudiet man met een brede kennis op het gebied van kunst en cultuur. Voor zijn verdienste werd hem door de Italiaanse regering de titel ‘Cavalieri’ verleend. Zijn vader was de grondlegger van de Romagnese vioolbouwtraditie geweest. Ook Giuseppe wilde iets meer nalaten dan zijn instrumenten. Vanaf zijn terugkeer in Italië heeft hij verschillende pogingen ondernomen om in Cremona een vioolbouwschool te beginnen, echter tevergeefs. Teleurgesteld en vrijwel blind keerde hij in 1933 samen met zijn vrouw terug naar München. De ‘Scuola Internazionale di Liuteria’ is uiteindelijk wel gekomen, maar pas vier jaar na zijn dood.

Werk en invloed

In de eerste jaren na 1877 bouwde Giuseppe Fiorini nog instrumenten naar die van zijn vader. Dat veranderde toen hij in 1881 gegrepen werd door de schoonheid van Stradivari’s werk. Giuseppe nam afstand van de Bolognese manier van werken en richtte zich steeds meer op de Cremonese stijl en werkwijze. Dat veroorzaakte onenigheid met zijn vader. Zijn werk werd eleganter en hij begon te experimenteren met laksoorten en zocht bij oude meesters naar wat bij hem zou passen.

Hij verliet het atelier van zijn vader en ondernam reizen om zich door andere bouwers te laten inspireren. Toen hij terugkwam en voor zichzelf begon richtte hij zich helemaal op de Cremonese meesters. Dat is terug te zien in zijn werk, dat in alles de modellen van Stradivari begon te benaderen.

Nadat hij zich in München had gevestigd, kopieerde hij Stradivari’s instrumenten beter en nauwkeuriger, maar voegde er zijn persoonlijke kenmerken aan toe. In 1920 kreeg hij de mallen waarop Stradivari zijn instrumenten had gebouwd in handen. Vanaf dat moment gebruikte hij die om zijn eigen violen op te bouwen. Overtuigd van de unieke eigenschappen daarvan hoefde hij geen tijd te besteden aan het ontwikkelen van een eigen model, maar kon hij zich volledig bezighouden met de perfecte uitvoering van zijn werk. Alleen rond 1922 bouwde hij een klein aantal violen naar Guarneri.

De min of meer intuïtieve manier waarop Stradivari tot zijn instrumenten was gekomen probeerde Giuseppe Fiorini een intellectuele basis te geven. Hij wilde wilde méér dan alleen uitvoeren zoals Stradivari het had voorgedaan, hij wilde ook begrijpen en doorgronden. Daarvoor experimenteerde hij intensief; zijn inspanningen om de klank van de klassieke instrumenten te evenaren of zelfs verbeteren zijn goed gedocumenteerd. Van hem is de methode om het boven- en onderblad van een strijkinstrument klankmatig op elkaar af te stemmen; een manier die nu nog door vioolbouwers wordt gebruikt.

Vanaf het moment dat Giuseppe’s reputatie gevestigd was, gebruikte hij uitsluitend hout van de allerbeste kwaliteit. Vrijwel alle achterbladen bestaan uit twee delen; slechts bij een enkel instrument is het uit één stuk gemaakt. Kenners zien bij Fiorini een raffinement en een nauwkeurigheid die slechts bij weinigen voorkomt. Giuseppe Fiorini bouwde ruim vijfhonderd violen en ca 10 altviolen en 10 cello’s.

Fiorini’s lak in München en Rome was rood-bruin tot oranje dat hij daar dikker opbracht dan tijdens zijn periode in Zürich.

Hoezeer hij ook afstand had genomen van de Bolognese vioolbouwtraditie, zijn afkomst zou hij nooit verloochenen. Op zijn etiketten stond naast boven de plaats en bouwjaar; Giuseppe Fiorini ‘da Bologna’.

De invloed van Giuseppe Fiorini kan nauwelijks overschat worden; hij liet de Cremonese vioolbouwkunst weer herleven. Hij schreef daarover in vakbladen en tijdschriften, maar leidde ook veel leerlingen op zoals Ludwig Bart, Hans Edler, Gottfried Nairz, Ansaldo Poggi, Wolfgang Türcke-Bibié, Pietro Messori, Giuseppe Castalgnino, Arrigo Fiorini, Simone Sacconi, Kurt Schuster.

De viool die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, draagt het brandmerk uit Zürich en is gedateerd ‘1930’. In dat jaar zat hij voornamelijk in Rome, maar onvermoeibaar als hij was reisde hij nog wel. Een mogelijkheid is dat de viool in Rome is gebouwd naar het model dat hij in Zürich gebruikte. Een andere mogelijkheid is dat Giuseppe Fiorini in dat jaar nog in zijn atelier in Zürich enkele instrumenten bouwde.

Bronnen

Tarisio, Cozio archive “Raffaele and Giuseppe Fiorini”, Dmitry Gindin and Roberto Regazzi, bezocht in 2019.

Strocchini, G. , 2015, Liutai Romagnoli, Cremona.

Dati L., Nicolini G., "Giuseppe Fiorini il fautore della rinascita della liuteria italiana"., Bologna-Cremona 2011.

Piccolellis de, G; 2007, Fiorini, Liutai antichi e moderni, Bologna.

Panorama of Modern Bolognese Violin Making: Influences and Relationships, 2002, The Scientific Committee "Il Suono di Bologna”, Bologna.

Maragi, M, 2000, Cincquecente anni del Monte di Bologna, Bologna.

Versari A., 2002, Modern Violin Making in the Emilia-Romagna Region. Bologna.

Blot E., 2001, 1860-1960 - A century of Italian Violin Making - Emilia e Romagna, Cremona.

Brinser M., 1978 Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers, Bologna - A living tradition of Violin Making, zp.

Fiorini, E.,; Frignani, Lorenzo, 2007. Il liutaio Giuseppe Fiorini. Modena.

Santoro, E., 1988. Giuseppe Fiorini e i Cimeli Stradivariani. Cremona.

The Strad, January 1984 Bologna, a living tradition of Violin Making.

Vannes, R., 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers, Bruxelles: Les Amis de la musique. Spa.

William, H., 1969, Universal Dictionary of Violin & Bow Makers. Brighton.

Hamma W., Meister Italienischer Geigenbaukunst, Wilhelmshaven 1993.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
6 januari 2020