Doorgaan naar content
bouwer

Dodd familie

*1705 , Sheffield (Edward Dodd)      †1865 , Londen (James Dodd II)

De strijkstokkenmakers van de familie Dodd omspanden met z’n zevenen drie generaties. De familie had in de tweede helft van de 18e en het eerste kwart van 19e eeuw de Engelse markt helemaal in handen. Als familie was het een contrastrijk geheel. Edward was de grondlegger. Hij begon pas rond zijn 65e in Londen met het maken van strijkstokken en ging daar 30 jaar mee door; John I, zijn oudste zoon, was de door drank en armoede geplaagde pionier, zijn broer Thomas de ondernemer en James produceerde in Lambeth samen met zijn twee zonen als derde generatie een groot aantal strijkstokken.

Het merendeel van de familie woonde in hartje Londen, eerst in Lambeth waar de armoede, kinderarbeid en vervuiling legendarisch waren en later in de iets betere delen van de wijken Kew en Finsbury. De Dodds woonden nooit ver bij elkaar vandaan. De naam ‘Dodd’ werd vrijwel zonder onderscheid door alle familieleden op alle soorten stokken gestempeld, variërend van alledaagse tot de schaarse, maar schitterende stokken met een montuur van schildpad en goud.
Werkplaats(en)
Londen, ± 1760-1865

Bronnen: een schimmige oorsprong 

Wat er bekend is over de eerste en tweede generatie strijkstokkenmakers Dodd komt uit vroege Engelse biografische reconstructies en mondelinge overleveringen. Niet zelden ingegeven door de behoefte aan een Engelse pendant van de grote Franse strijkstokkenmakers én een zekere gêne over het feit dat de meeste Dodds zich niet uit de achterbuurten van de hoofdstad hadden kunnen losmaken. James werd vaak over het hoofd gezien; hij was gelauwerd om de prachtige stokken die hij naar de wereldtentoonstelling had gestuurd, maar zekerheid of deze ook door hem zelf waren gemaakt had men niet. Doop- of huwelijksaktes en inschrijvingen bij kerken in Lambeth, Covent Garden en Southwark of een gilde, bestaan er nauwelijks. 

Eerste generatie: Edward Dodd
wapensmid en stamvader ca. 1705-1810

Edward Dodd werd vermoedelijk geboren in het Schotse Stirling, waar hij als wapensmid werkzaam was. Sommige bronnen noemen hem daar al maker van strijkstokken. Daar werden zijn drie zonen John, James en Thomas geboren, zij het dat daarvan de akten ontbreken. De overlevering wil dat Edward voor korte tijd naar Northumberland ging. Uiteindelijk was Londen de plaats waar de hele familie Dodd zich vestigde.

‘Lambeth: werkplaats
in een industriële achterbuurt’

De eerste werkplaats van Edward, waar hij rond 1770 in Londen begon, was aan de Paradise Road in de wijk Lambeth. De wijk was opgetrokken uit de bakstenen huizen, bedoeld voor kleine huisindustrie, maar was tegen het eind van de 18e eeuw een industriële, zwaar overbevolkte achterbuurt geworden; zwart geblakerd door de rook van pottenbakkerijen die op bruinkool stookten. De levensverwachting was er kort en het leven slecht. Daarom verhuisde Edward na enkele jaren naar Salisbury Court, bij Fleet Street, dat een druk en commercieel gebied in het oude deel van Londen was met kleine theaters en veel drukkerijen. In 1810 overleed Edward op een leeftijd van 105 jaar. Zijn overlijdensbewijs van de St Bride’s parochie vermeldde dat ‘een old age’ de oorzaak van zijn dood was.

John bleef in Lambeth. In de omringende wijk woonden veel musici en er zaten enkele opkomende muziekuitgeverijen. De viool was er goedkoop en populair, gebruikt in de kroegen, op straat of in de huiskamers. Amateurs speelden arrangementen van operafragmenten of de populaire triosonates van Corelli en William Boyce. De grote aantallen Schotse en Ierse immigranten die in deze achterbuurten woonden, brachten hun eigen viooltradities mee. Tegelijkertijd waren literaire grootheden als William Wordsworth en John Keats juist vaak te vinden in de koffiehuizen rond St Bride’s church.

Tweede Generatie: ca 1752-1839
(John ca 1752-1839, James I 1761-ca 1830 en Thomas 1764-1834)

Van wapensmid tot strijkstokkenmaker 

John Dodd was Edwards oudste zoon en werd rond 1752 geboren. Zijn ouders woonden waarschijnlijk nog in Stirling, maar sommige bronnen noemen Northumberland. Hij kwam in 1770 terecht in de buurt van Edward in Lambeth en vond een baan als ‘gunlock fitter’. Dat was een fijnmechanisch beroep waarbij hij onderdelen in elkaar moest zetten van duelleer-pistolen. Ook maakte hij de houten kolven waar de metalen onderdelen in moesten komen. Dat moest een ‘fitter’ zo afstellen dat het hele mechanisme feilloos functioneerde. De kostbaarste pistolen werden vaak met zilver ingelegd. De vaardigheid om zilver te smelten en te verwerken gebruikte hij later in de strijkstokkenbouw. Bij gebrek aan nieuw zilver voor zijn strijkstokken smolt hij lepels om en gebruikte dat voor het slof-montuur en het kopplaatje. 

Biografen baseren zich graag op Doctor Wiliam Sellé, een violist die John Dodd persoonlijk heeft gekend. Whitechapel wordt door hem genoemd als de plaats waar John Dodd als gunlock fitter begon. Het lag vlak bij Lambeth en er zaten veel wapensmeden. Na enkele jaren zette hij zijn loopbaan voort als maker van nauwkeurige weegschalen, om pas ergens tussen 1780 en 1785 strijkstokkenmaker te worden. Een leermeester heeft hij nooit gehad.  

‘Bijzonder en
tot op zekere hoogte excentriek’

William Sellé over John Dodd

De invloed van Viotti en Tourte

 In Londen werd er levendig gehandeld in violen uit binnen- en buitenland. Daardoor was er veel vraag naar strijkstokken. De meeste vioolbouwers maakten de strijkstokken er als een accessoire bij, gespecialiseerde kennis op dit gebied was er in Engeland nauwelijks. Toen Italiaanse violen in Engeland populair werden, vereisten die een strijkstok met andere eigenschappen dan de Engelsen konden produceren.

Giovanni Battista Viotti (maker onbekend)

François Xavier Tourte, gravure J. Frey (1818)

De vioolvirtuoos Giovanni Viotti speelde een nauwelijks te overschatten rol bij die overgang. Hij was bevriend met de strijkstokkenmaker François Tourte uit Parijs en had tussen 1785 en 1790 zelfs met hem samengewerkt bij de vernieuwingen van strijkstokken. Een van zijn eigen stokken was het resultaat daarvan. De speel- en response kwaliteit ervan was onovertroffen voor die tijd. Viotti kon daarmee zijn nieuwe speelstijl verder ontwikkelen, waarmee hij die van zijn tijdgenoten in de schaduw zette. Uitgerust met de nieuwe strijkstok van Tourte veroverde Viotti de Engelse muziekwereld stormenderhand. Zijn debuut was in Londen in februari 1793 en de kranten scheven dat hij de muziek een ziel had gegeven. Een jaar later was hij waarnemend leider van het Londense Kings Theater. 

Oorlog en Isolement 

Toen Frankrijk in 1789 ondergedompeld werd in het geweld van de Franse Revolutie en onder het bewind van Napoleon dat daarop volgde, raakte Engeland vrijwel afgesneden van nieuwe opvattingen over de muziekpraktijk in Frankrijk en Italië. Viotti vluchtte naar Engeland en werd In 1797 directeur van het Kings Theatre. Toen de oorlog in 1814 voorbij was, merkten de Engelsen dat zij, wat het maken van strijkstokken betreft, een generatie achterliepen op de Fransen. 

Geniaal, excentriek en destructief 

In de loop van de oorlog moet John Dodd een strijkstok van François Tourte in handen hebben gekregen. Hij verhuisde naar het meer landelijke Kew, net buiten het drukke hart van Londen, en begon daar een vergelijkbaar model te maken, alleen de slof maakte hij nog op z’n Engels. Van daaruit verkocht hij ze via zijn tussenpersoon en handelaar John Norris, die ze van zijn eigen stempel voorzag, aan vioolbouwers in de stad. Het verhaal gaat dat zijn antwoord op de vraag om zijn geheim te vertellen was: “nog voor geen 1000 pond”. In 1818 overleed Norris. Door achterdocht, drankzucht en weinig commercieel inzicht, verviel John al snel in armoede; Dodd weigerde zijn methoden met leerlingen te delen, waardoor hij zonder leerlingen of opvolger overleed.

‘Er klonken rinkelende schelpen in zijn broekzakken
die hij bij marktkramen had gebedeld
om paarlemoeren onderdelen van te maken’

Vatelot

Zijn biografen hebben John Dodd geportretteerd als een geniale, maar door drank geplaagde man die de eer had de moderne, concave strijkstok uitgevonden te hebben. Pas toen bleek dat Viotti al jaren eerder een dergelijke stok van Tourte naar Engeland had gebracht en dat die als voorbeeld voor John Dodd had gediend, moest de geschiedenis worden herschreven.
Zijn bijdrage aan het vak was wat hij lang geheim had gehouden: hij gebruikte een apparaat met twee zaagbladen waarmee hij de stang met curve en al uit het hout kon halen. De Fransen bogen het pernambuco onder warmte en druk. Die methode maakte een zeer nauwkeurige afstelling mogelijk. Het effect van John’s methode was dat de stok wel stabiel, maar minder responsief was. Het werk van John was vooruitstrevend maar onder Engelse musici niet erg populair. Daarom maakte hij veel van zijn stokken toch op de oude Engelse manier, met open onderkant zonder schuif of ferrule. 

‘Bijzonder en tot op zekere hoogte excentriek’, noemde de violist en kenner van de familie, William Sellé hem. Hij was ongeletterd en leefde in de laatste jaren van giften. John zwierf langs verschillende adressen in Londen voor hij terechtkwam in het werkhuis (poorhouse) van Long Hill in Richmond. Die instelling werd onderhouden door de parochie van Richmond, had een "House of Correction" en een aantal armenzalen. Daar overleed John Dodd aan bronchitis in 1839, waarna hij werd begraven in Kew. 

Thomas Dodd: De vioolbouwer en ondernemer van de familie 

John had door de geschiedenis heen alleen de credits voor de familiefaam gekregen, maar het was zijn jongste broer, Thomas (1764-1834) die de commerciële motor van de familie bleek te zijn. Zijn loopbaan begon in een brouwerij waar hij hout moest buigen en fusten maakte. Wellicht leerde hij van John om stokken te vervaardigen, maar zeker is dat niet. Pas rond zijn twintigste, in 1784, ging hij naar Southwark waar hij aan de Blue Bell Alley tien jaar lang strijkstokken voor anderen maakte. 

Foto met dank aan Ellen Broughton Photography

In 1794 vestigde hij zich aan New Street in Covent Garden, waar de aristocraten vertrokken waren en de buurt rond New Street was veranderd in een druk commercieel gebied vol koffiehuizen, tavernes, winkels en bordelen. Maar er zat ook een instrumentenzaak van William Campbell. Campbell was naast handelaar ook uitgever van bladmuziek en dansboeken. Zijn werk was nauw verbonden met het sociale leven van de Londense elite, die zijn danscollecties gebruikte voor hun bals en feesten.
Hij had Thomas’ strijkstokken enkele jaren lang verkocht en toen Campbell een nieuwe zaak elders opende, nam Thomas Dodd de winkel in New Street over. Hij breidde die uit met een werkplaats voor vioolbouw en begon in strijkinstrumenten te handelen. Met goede vioolbouwers als B.S. Fendt en J.F. Lott kon hij zich in 1809 een groter gebouw veroorloven aan het chique St. Martin’s Lane. Niet ver van de gelijknamige kunstacademie. Vanaf 1813 verkocht Thomas ook harpen, piano’s én de strijkstokken van John en van andere familieleden. 

Handel, kopieën en controverse 

Thomas bleek in de loop van de jaren meer een ondernemer dan een handwerksman te zijn. Maar wel iemand met een voortreffelijk gevoel voor kwaliteit. De cello’s en contrabassen die Thomas verkocht waren vergelijkbaar met het beste dat de Franse of Italiaanse bouwers maakten. Een van de belangrijkste vioolbouwers van wie Thomas de instrumenten verkocht was Vincenzo Panormo. Deze Italiaanse bouwer had zich in Londen gevestigd en de Italiaanse vioolbouw naar Engeland gebracht. Ook de kleine altviolen die onder de naam van Thomas Dodd door anderen waren gebouwd droegen bij aan zijn succes. Zijn netwerk was zo goed dat ook James Tubbs hem zijn strijkstokken liet verkopen.

‘Instruments
Improved and
Repaired’

Thomas Dodd

Visitekaartje Thomas Dodd © The Trustees of the British Museum (shared under CC BY-NC-SA 4.0 licence)

Thomas Dodd importeerde daarnaast ook instrumenten uit Italië. Om belasting te ontduiken deed hij dat soms in losse delen, wat niet altijd goed ging. Er ontstonden samenstellingen die niet oorspronkelijk zo bedoeld waren. Oude Italiaanse instrumenten liet hij soms verbouwen en hij verving dan de etiketten door die van bouwers die meer opbrachten. In de twintigste eeuw werd een dergelijk instrument ten onrechte als een vroege composiet beoordeeld. 

In dagbladen adverteerde hij met ‘Perfect Copies of Stradivarius (of Stainer, Amati, enz.)' en verkocht naar eigen zeggen ‘Instruments Improved and Repaired’. De vernis die hij gebruikte was ‘naar receptuur van Cremona’. 

In 1813 kocht Thomas er een tweede winkel bij in 3 Berners Street, eveneens in Whitechapel. Vanaf 1810 groeiden de nabijgelegen London Docks volop en Berner’s Street raakte bevolkt met sjouwers en migranten. Zijn zoon Edward kwam bij hem in de zaak, opende een afdeling waar hij piano’s en de in die tijd zeer populaire pedaalharpen verkocht, waarvan hij er in eigen beheer ruim 900 liet bouwen. In 1838 stond de zaak als ‘Dodd & Sons’ te boek. Edward bleek technisch zeer begaafd en kreeg al op zijn 19e patenten op zijn naam voor de verbetering van de klank van dit instrument. In 1834 overleed Thomas en negen jaar later zijn zoon Edward ii. 

Inscriptieplaatje in harp van de firma T. Dodd & Sons, Berner's Str, London

Over de vroege jaren van James Dodd, de middelste zoon van Edward, is niet zo veel bekend. Zelfs zijn juiste geboortedatum niet. Zijn werkplaats zat in de Granby Buildings, Lambeth, een levendige marktstraat in een buurt van kleine smederijen, pottenbakkerijen en leerlooierijen. Dichtbevolkte steegjes met kleine arbeiderswoningen of ‘tenements’ waar hij samen met zijn twee zonen een aanzienlijke productie had van strijkstokken. Hoewel hij een zeer bekwame stokkenmaker was, werkte hij overwegend ‘voor de handel’. Zijn werk bleef dan ook vaak ongemerkt omdat het werd verkocht onder de namen van de grote vioolhuizen waarvoor hij produceerde. Later verhuisde hij naar andere delen van Londen. Een deel van de stokken was beduidend eenvoudiger dan die van John. Hij overleed als eerste van Edwards drie zonen in 1830.

Derde generatie:1791-1865
Edward II (1791-1843), James II (1792-1865) en Edward III (1797-1851) 

Thomas’ zoon Edward had het muziekinstrumenten bedrijf van zijn vader groot gemaakt met zijn uitvindingen die de bespeelbaarheid van de harpen en piano’s verbeterden. Er waren alleen al in Londen 150 fabrikanten van deze instrumenten. Edward had een naam gevestigd die nog 15 jaar na zijn dood met succes werd gebruikt. Hij was de eerste van de derde generatie die in 1843 overleed. Zijn bedrijf werd overgenomen en bleef tot na de wereldtentoonstelling van 1851 actief in het maken van harpen en piano’s. Kort daarna verdween de firma Dodd & Sons van het toneel. 

De andere tak van de derde generatie Dodd waren de zonen van James I. Hij kreeg in 1792 zijn eerste zoon James II en in 1797 Edward III. Tussen 1821 en 1823 werkten zij als strijkstokkenmakers samen in Covent Garden. Daarna keerden zij terug naar de werkplaats van hun vader om hem daar in de laatste zeven jaren van zijn leven te helpen tot deze in 1830 overleed. 

Na hun vaders dood gingen ze samen naar Fleet lane, old Bailey, wat een beruchte wijk was, dicht bij de Granby’s Buildings waar hun vader had gezeten. Beter was het niet geworden; ook daar was het overbevolkt, vuil  en gewelddadig. James en Edward maakten gezamenlijk strijkstokken en snaren, ook voor hun oom Thomas Dodd. Halverwege de jaren dertig keerde James II het centrum van Londen de rug toe en vestigde zich in een kleine boerderij aan de rustige Holloway Road. 

Lang duurde dat niet; een jaar later moest hij alweer weg en samen met James vestigde hij zich in de overbevolkte arbeidersbuurt Vauxhall, waar ze jaren samen één werkplaats hadden. 

Dodd, Tubbs en de ‘Great Exposition of Arts and Industry’ 

Crystal Palace tijdens de wereldtentoonstelling in 1851

Eind 1850 besloten de broers om mee te doen met de komende wereldtentoonstelling die in Londen zou worden gehouden. Edward overleed echter een maand vóór de opening in 1851. Voor deze ‘Great Exposition of Arts and Industry’ werd het Crystal Palace gebouwd. Er deden 13.000 exposanten uit 44 landen aan mee. Voor het eerst kon men in Engeland de stand van zaken op het gebied van techniek en cultuur in de andere Europese landen en Amerika zien. De tentoonstelling had tot doel ‘to make clear to the world it’s role as an industrial leader’, zoals prins Albert het in zijn openingstoespraak van de tentoonstelling formuleerde. Er deden twee Dodds aan mee: Dodd & Sons met pianofortes en hun Patent Double-Action harpen en James Dodd met vier strijkstokken. 

James Tubbs in zijn werkplaats in Londen in 1917

James had zijn handen vol aan de onderneming die hij na Edwards dood  alleen moest leiden. Experts zijn het erover eens dat William Tubbs in die periode verantwoordelijk was voor de kwaliteit en de productie van de werkplaats. Tubbs was veelbelovend, technisch zeer begaafd en hij had al honderden strijkstokken voor hen gemaakt. De overgang in stijl naar het modernere Engelse model, die rond 1850 zichtbaar werd, wordt vrijwel volledig toegeschreven aan de invloed van William Tubbs. De beste strijkstokken in het assortiment van Dodd waren van Tubbs’ hand maar werden verkocht onder de naam Dodd. Het was dan ook William Tubbs die de stokken voor de inzending maakte. 

Op de Wereldtentoonstelling presenteerde James Dodd een set van vier strijkstokken (een kwartet) die afgewerkt waren met goud en schildpad. Tubbs’ naam als maker van het werk werd niet vermeld. Toen de inzending met een medaille voor vakmanschap en kwaliteit werd beloond, kreeg William Tubbs een groot deel van de werkplaatsinventaris: gereedschappen en het hout waar Edward en James mee hadden gewerkt. Niet ver van Dodds werkplaats vandaan begon Tubbs een eigen onderneming. 

Na de Wereldtentoonstelling ging James naar Noord Londen en vestigde zich in Great Sutton Street, een buurt met veel kleine drukkerijen en instrumentenmakerijen. Daar werkte hij nog 14 jaar en overleed hij in 1865. In de laatste jaren onderscheidde hij zich nog van de anderen met zeer ongebruikelijke vormen van slof en kop. 

Confrontatie en kansen na de wereldtentoonstelling 

Aan de Great Exhibition hadden ook de Franse stokkenmakers J.B. Vuillaume, Pierre Simon en Joseph Henry meegedaan. James Dodd had een eervolle vermelding gekregen, maar de hoogste onderscheidingen, de ‘Council Medals’, gingen naar de Fransen. Vuillaume kreeg die zelfs voor zijn gehele oeuvre: een kwartet violen en strijkstokken. Vanaf dat moment kwamen de Franse ideeën, verwerkt in Engelse strijkstokken, massaal op de markt. Niet zozeer door James Dodd, maar door William Tubbs, die ze onder zijn eigen naam verkocht. 

De Firma Dodd & Sons, inmiddels niet meer van Edward, was met hun piano’s en harpen ook één van de deelnemers van Great Exhibition. Ook in die categorie waren de Fransen dominant. Zelfs de belangrijkste Engelse fabrikanten Broadwood en Collard kregen geen eervolle vermelding. De Franse firma Erard kreeg twee Council Medals, de hoogste onderscheiding voor hun ingezonden piano’s en harpen.

Stempels, kopieën en de nalatenschap 

Er zijn maar weinig experts die er in slagen om met zekerheid een Dodd strijkstok toe te schijven aan de maker. Overzichten van in- en verkoop hielden ze niet bij. Vaak maakten zij elkaars stokken na of kochten stokken van andere Engelse makers en importeerden later zelfs stokken uit het buitenland en zetten er een DODD stempel op. De stempel die zij gebruikten was een andere bron van onduidelijkheid. Op die van James na, was die voor iedere Dodd gelijk. De stempels gingen over van vader op zoon en in het buitenland werd de relatief eenvoudige stempel veelvuldig nagemaakt. 

Vestiging Thibouville-Lamy in Mirecourt waar cello's in grote aantallen werden gefabriceerd - net als (ander adres?) de strijkstokken van Dodd

Er verschenen Duitse Dodd kopieën op de markt en vaak in enorme aantallen. Ook veel Franse firma’s maakten ze na. Jérôme Thibouville-Lamy was de grootste. Zij namen de Dodd stokken openlijk op in hun catalogus en exporteerden ze massaal. Hun kopieën waren goed, maar de beste Dodd kopieën werden gemaakt door de stokkenmakers van Charles Nicolas Bazin en Eugène Cuniot-Hury. Deze praktijken hebben later geleid tot ophef, maar droegen ook bij aan Dodds wereldwijde bekendheid. Het gevolg was een vaak weinig zekere authenticiteit van een Dodd stok. 

In de periode tussen de twee wereldoorlogen werden er nieuwe stokken onder de naam Dodd verkocht, veelal via een bedrijf dat de naam Vernon Dodd voerde. Veel van de stokken die in deze periode door de familie werden verhandeld, waren in werkelijkheid goede kopieën, vaak vervaardigd door Duitse meesters zoals de familie Knopf.

Bronnen 

Flaming, J. F., 2016, English, Scottish and Irish Violin Makers, London.

Saint-George H., 2009, The Bow, Its History, Manufacture and Use, 'The Strad' Library, No. III

Westbrook J., 2012, Panormo and His Contemporaries, Cambridge.

Baker T, Dilworth T en Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.

Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers - Vol. 1, 2001, Keulen.

Baldwin M. 2020, Scale of the nineteenth-century London harp industry,

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Baker T., Dilworth T. en Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.

Basford J. en Toft T., 2020, W.E. Hill, violinmakers 1880-1936, Sheffield.

Milnes and Wilson, 2016, The Hill Bow Makers 1880-1962.

Stagg J.W., 2015, Bowmaking, Bradley.

Plowright D.G., 1934, Dictionary of British bowmakers, Londen.

Heron-Allen, 1902, Violinmaking as it is and was, Londen.

Tarisio, Cozio archive, bezocht in 2026.

British-history; Survey-London/vol46/pp280-293, 2011, Londen.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
9 april 2026