77 taxatie te laten doen, voor we verdere stappen nemen, en voordat we een instrument accepteren, maar in dit geval besluit ik anders. Iemand in zo’n situatie laat je niet wachten. Na een lang en (vanwege de slechte verstaanbaarheid van G.) eenzijdig gesprek, besluit ik om zelf de volgende ochtend onmiddellijk naar hem af te reizen. Meneer G. is blij. Aan het einde van het telefoongesprek zegt hij: “Dank u wel, ik vond het een erg fijn gesprek.” Ik bedank hem op mijn beurt voor het feit dat hij aan ons gedacht heeft en voor het feit dat hij dit doet op dit heftige moment in zijn leven. De ochtend na ons telefoongesprek meld ik me bij zijn woning. Meneer G. doet open. Hij is gekleed in ochtendjas en loopt op oude sloffen. Hij ziet er mager, haast uitgemergeld uit. In zijn linker brilglas zit een barst, bijna midden op zijn rechter brilglas een prijsplakkertje. Helemaal zeker ben ik er niet van, maar volgens mij staat er nog een guldenteken op de sticker. Hij schuifelt voorzichtig de kamer binnen. Meneer woont alleen – typisch ook zo’n inrichting van een man alleen. Heel veel spullen, wanorde en chaos lijken de overhand te voeren. Maar er staat wel een state-of-the-art geluidsinstallatie en een moderne computer. Uitgeput laat hij zich in een grote stoel vallen. Hij vertelt me hoe blij hij is dat hij een goede bestemming voor zijn viool heeft gevonden. Op mijn vraag hoe hij ons op het spoor gekomen is, zegt hij bijdehand: “Internet, gewoon gezocht op internet. Binnen no time gevonden.” Hij vertelt over zijn leven; het werken met dirigenten als Leopold Stokowski (er bestaat nog een lp waarop hij onder deze grote musicus speelt); over zijn relatie met voormalig APhO-dirigent Anton Kersjes; wat muziek voor hem betekent heeft; hoe belangrijk hij het vindt dat zijn viool niet ‘zomaar’ ergens terecht komt, maar bij een club die er echt goed voor gaat zorgen. Na zo’n anderhalf uur is meneer uitgeput. Ik vertel hem dat ik hem nog een schenkingsakte zal sturen en een taxatierapport, zodra we de viool aan een expert hebben kunnen laten zien. Van meneer G. hoeft dat niet. We mogen alles zo hebben. Hij zou alleen wel iets tastbaars van ons willen hebben, als een soort van herinnering aan wat was. Ik vraag hem of hij prijs stelt op een oorkonde? Dat vindt hij fijn. Maar ook hierbij zegt hij dat er haast is... Als ik wegga, duwt hij me met een knipoog nog een ‘bonus’ in de hand: een door hem zelf geconcipieerde cadens bij het Vioolconcert KV 219 (G-dur) van Mozart. Ik bel mijn ontwerper, Herman, die in Spanje woont, en overleg kort met hem. Zoals zo vaak, maakt hij het onmogelijke mogelijk. Nog dezelfde dag wordt er een oorkonde bij meneer G. thuisbezorgd. ’s Avonds ontvang ik een mailtje van hem: “Grote dank mijnerzijds gaat uit naar zowel de gehele directie als ook de Raad van Toezicht van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds, voor de prachtige oorkonde welke ik heb mogen ontvangen. Zelden overviel mij zo’n gevoel van trots. Nogmaals dank en het is mij een groot genoegen een passende bestemming te hebben gevonden voor mijn troetelding!” Ik schrijf hem terug. Hoe dankbaar we zijn dat hij ons zijn viool geschonken heeft. Dat hij tijd voor mij gemaakt heeft. De week erop ontvang ik de taxatie van zijn viool. Ik bel hem op om hem de uitkomst te vertellen. De telefoon wordt niet meer opgenomen...