Enkelband gescheurd. Dat is toch niks voor mij? Ik ben niet het type dat valt. Sterker nog, ik maak er een heimelijke sport van om iedere afstand in Amsterdam binnen een kwartier te fietsen. Zelfs mijn dagelijkse fietstocht van mijn huis in de Pijp naar mijn repetitieadres in de Spaarndammerbuurt klok ik op 00:14:36. Maar terwijl ik al jaren als een bezetene met mijn cello op mijn rug door de stad scheur, is het nog nooit in mij opgekomen dat ik zou kunnen vallen. Een fikse dosis overmoedisbesthandigvooreenmusicus, zelfs verrassend behulpzaam als je weer eens met honderden ogen op je gericht het zenuwenmonster moet bevechten, maar we zijn ons vaak nauwelijks bewust van onze fysieke kwetsbaarheid. Toen ik bij de afdeling radiologie van het OLVG twee krukken aangereikt kreeg, was ik dan ook vooral opgelucht: mijn armen, handen en vingers werkten nog. Ik kon met mijn dikke, kloppende, pimpelpaarse poot gewoon nog op een stoel zitten, mijn cello tussen mijn knieën klemmen en met een flink stel pijnstillers achter mijn kiezen zou het gaan: ik kon spelen. Na zo’n stom ongeluk zal geen musicus zich afvragen of de opname van diezelfde middag, de concerten van dat weekend, de Podium Wittemanuitzending en de reis naar Oxford de week daarop door zouden gaan, enkel hoe dat voor elkaar te krijgen. Misschien is dat ook wel de reden dat zo weinig musici voor arbeidsongeschiktheid verzekerd zijn: het is simpelweg geen optie in het hoofd van een muzikant dat een concert níét door zou kunnen gaan. En inderdaad, tegen het advies van de fysiotherapeut in moest en zou ook mijn vliegreis naar Oxford doorgaan zodat ik daar met mijn broer kon spelen. Aldus begon mijn avontuur in de wereld van de Speciale Assistentie. Vliegen met een historisch instrument als het mijne is altijd al een beproeving voor mijn geduld. Je moet een extra zitplaats kopen voor je cello (‘Mr. Cello, paspoortnummer onbekend’), hem insnoeren met een speciale riem op de plaats naast je aan het raam en voortdurend vriendelijk praatjes maken met nieuwsgierige mede- passagiers, de één nog gevatter dan de ander (‘wat een grote walkman!’). Ditmaal was de beproeving zo mogelijk nog groter. Ik moest mij volledig overgeven aan mijn begeleiders die mij in een rolstoel met cello, krukken en tas met de minst mogelijke haast door de gehele ‘backstage’ van het vliegveld duwden. Ze waren gefascineerd door mijn cello en wilden er alles over weten (‘Must be very expensive?’). En terwijl ze mij aan elkaar overdroegen (‘Careful, very old instrument’) groeide het verhaal van mijn cello stapje voor stapje (‘Worth half a house!’, ‘The showpiece of a famous Dutch collection!’). Ik ging er maar al te graag in mee, want dankzij hun hulp belandde ik zonder enige stress en moeite in de bus naar Oxford. Toen mijn broer mij behoedzaam in de rolstoel van Merton College over de eeuwenoude keitjes van Highstreet van de bus naar zijn huis duwde, besefte ik dat dit misschien wel de speciale assistentie was die ik nodig had: verplicht een paar weken langzaam door het leven. Ik nam mij voor om in 2017 maar eens een ruime 00:25:00 voor mijn rit naar mijn repetities uit te trekken. Speciale assistentie COLUMN Mascha van Nieuwkerk Mascha van Nieuwkerk (1990) is celliste en al bijna 15 jaar NMF-musicus. Ze bespeelt nu een 18e-eeuwse Lefèbvre-cello uit Amsterdam van het NMF. Al tijdens haar muziekstudie begon ze met Fuse: een ensemble met drie klassieke en drie jazz-muzikanten. Ze staat met veel verschillende ensembles, dans- en theatergezelschappen op de planken. Ze speelt wat ze zelf mooi vindt en zoekt graag de grenzen van muzikale genres op. 73