Chaim Achttienribbe laat een viool door zijn handen kantelen. Hij werpt een blik op de achterkant, monstert de voorkant, keurt de krul. Hoe, luidde de vraag, ga je te werk als je een onbekend instrument in handen krijgt? ‘Ik begin met kijken’, zegt de restau- rator. ‘Welke houtsoort heeft de bouwer gebruikt? Hoe bolt het achterblad? Zit de hals erop gespijkerd of is hij gelijmd?’ Naast Achttienribbe (38) zit Fred Lindeman (84), hij is de nestor van de Nederlandse vioolbouw. Lindeman voegt toe: ‘Ook het binnenwerk verschaft informatie. Je kunt bijvoorbeeld veel afle- zen aan de bandjes, dat zijn de strips die het lijmoppervlak van het voor- en achterblad vergroten. De ene bouwer maakt hoge bandjes, de ander lage. De een houdt ze recht, de ander rondt ze af. Zie je hoge bandjes, dan weet je: dit kán geen Tiroler zijn.’ De twee treffen elkaar in het Amsterdamse atelier van Chaim Achttienribbe. Samen met compagnon Bas Maas werkt hij vanuit een pand dat niet zou misstaan in een Harry-Potterfilm. Sfeervol, donkerbruin hout kenmerkt de voormalige sigarenzaak. Rond een dot van een toonbank staan kasten met laden en schuifjes. In zwierige letters vermeldt de etalageruit: Maas en Achttienribbe Vioolbouwers. In het souterrain werkt Bas Maas aan een nieuwe viool voor het NMF.Het wordt een kopie van de Guarneri waarop Ilya Grubert speelt, de Letse meester die in Nederland woont. Trapsteen Al is Fred Lindeman sinds 2007 uit actieve dienst,zijn ogen geeft hij nog altijd goed de kost. In elke restaurator schuilt nu eenmaal een speurneus en een spion, zegt hij. ‘Stiekem kijken we altijd naar elkaars gereedschap. Je weet nooit of er iets ligt waarvan je denkt: verdikkie, dát is handig. Zo kwam ik via een goudsmid bij mij om de hoek ideale vijltjes op het spoor voor fijn peuter- werk. Zelfs in de stoel van mijn tandarts blijf ik alert. Toen ik toe was aan een stukje kunstwerk in de mond, maakte hij de kaak­ afdruk niet met gips, maar met thermoplastic. Vraag ik natuurlijk meteen: hoe werkt dat? Welke maten zijn er? Waar koop je dat spul? De volgende dag had ik het in huis. Hoefde ik voor een modelletje van een vioolblad niet langer met gips te knoeien.’ Lindeman leerde het vak op ambachtelijke wijze van zijn va- der. ‘Die was als meubelmaker gekneed in de Amsterdamse School, zeg maar Berlage gemengd met Jugendstil. Hoe vaak heb ik hem niet horen roepen: dit is geen houtconstructie, dit is konijnenhokken timmeren!’ In de werkplaats van de Lindemans heerste soms eens stille strijd, want van vernieuwing wilde de oude weinig weten. ‘Zelfs het gereedschap mocht niet naar de scharensliep. Kreeg ik te horen: ben jij nou vakman of amateur? Kon ik weer naar het schuurtje in onze tuin, in de tijd dat er nog echte winters waren. Bij de trapsteen stond ik dan te verrekken van de kou, alleen het been dat op en neer ging bleef warm. Na lang zeuren mocht er een motortje op het apparaat, maar dat gaf een week lang een kwaaie kop.’ Leuke hobby Chaim Achttienribbe trok voor zijn opleiding naar Nottingham, in Midden-Engeland. Aan de Newark School of Violin Making leerde hij alles over de kam en het klankbord, de toets en de zangbalk, de stapel en het f-gat. Ook na zijn studie kon hij putten uit een schat aan informatie. ‘Kennis vergaren is tegenwoordig zo makkelijk. Boeken en websites worden volgeschreven door vioolbouwers en restauratoren die hun ervaringen delen. Ze leggen de problemen voor waarop ze zijn gestuit en hoe ze die hebben opgelost.’ Voor de jonge Lindeman vormde een boekje uit 1885 het enige studiemateriaal. ‘Het kwam uit Markneukirchen, een Duits stadje dat vanwege de vioolbouw bekendstond als ‘het Saksische Cre- mona’. Over historische vioolconstructie was er niks.’ Lindeman begon dus op nul toen op een dag in de jaren ‘60 Si- giswald Kuijken in zijn atelier stond. De Vlaamse violist was pas afgestudeerd aan het Brusselse conservatorium en wilde barok- muziek authentiek spelen. Of Lindeman hem kon helpen aan een viool in zijn oorspronkelijke staat. Zodat hij muziek kon laten klinken met het geluid dat Bach en Vivaldi in hun hoofd hadden. “Van barokviolen wist ik geen bliksem” Als vioolbouwer raakte Fred Lindeman in de jaren ’60 betrokken bij de revival van barokmuziek. Zijn jonge collega Chaim Achttienribbe zet het restauratieambacht voort. Samen bespreken ze de wondere wereld van oude violen. Sommige kosten miljoenen euro’s. ‘Wie zijn wij dan om te zeggen dat het een matig instrument is?’ 5 tekst Guido van Oorschot K O P S T U K FREDA LINDEMAN