Floris en Rob de Ruwe realiseren zich dat selectie, aankoop, beheer en dergelijke vragen om expertise, tijd en geld. Professionaliteit inschakelen lijkt daarom verre te prefereren. Dit verhaal begint in 1900, het geboortejaar van Elly Lentz. Zij is één van de zes kinderen uit de familie Lentz, waarvan er drie professioneel musicus worden. Piet, haar jongere broer, speelt cello en gamba en richt, samen met Szymon Goldberg, het Nederlands Kamerorkest op, waarin hij tot aan zijn pensionering solo-cellist blijft. Elly zelf speelt piano. Na haar afstuderen aan het Amsterdams Conservatorium in 1922 mag zij in 1923 op voor de Prix d’Excellence, met niemand minder dan het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Zij speelt (onder meer) het tweede Brahmsconcert en slaagt cum laude. Als prijs mag ze gaan studeren in Parijs, bij Alfred Cortot. Omdat haar vader daar een stokje voor steekt, komt het daar niet van. Elly reist dan af naar Nederlands-Indië voor een concerttournee, waar zij haar latere echtgenoot, Willem (‘Wim’) Th. Vogelaar ontmoet, die daar destijds voor Shell werkte. Uit dat huwelijk worden vier kinderen geboren, waaronder de zonen Willem (1931) en Floris (1944). Zij geeft uiteindelijk haar concertcarrière op en gaat zich toeleggen op het geven van pianolessen aan ‘gevorderden’. De oudste, Willem, blijkt een artistiek begaafde jongen en een groot estheticus te zijn. Zijn moeder leert hem pianospelen, wat hij graag doet, maar wel als eenling. Voor samen spelen is hij te eigengereid. Op de middelbare school volgt hij balletlessen en later, tijdens zijn studie, is hij zeer actief in het Amsterdamse studententoneel en speelt geregeld met mensen als Annet Nieuwenhuyzen, Marion Gobeau, Elise Hoomans,PeterLohr,HansvandenBergh en Kick Stockhuyzen. Daarnaast schildert hij en op latere leeftijd, geïnspireerd door zijn echtgenote, beoefent hij het pottenbakken. Zijn verfijnde smaak komt dan ook terug in de inrichting en het interieur van zijn huis, dat van museale kwaliteit is. Zijn broer Floris wordt dertien jaar later geboren. Door het grote leeftijdsverschil tussen beide broers, ontwikkelt zich pas na hun jeugd een intense vriendschap. Floris krijgt net als Willem ook pianoles van zijn moeder, maar dat is niet bepaald zijn grote liefde. Les hebben van zijn eigen moeder beschouwt hij niet als les, maar veeleer als opvoeding. Dat is geen inspirerende gedachte voor hem. Hij prefereert de cello, of ‘die grote viool’, zoals hij die noemt. Oom Piet komt als geroepen. Als de jonge Floris in Amsterdam uit logeren gaat bij oom Piet, mag hij op één van diens instrumenten proberen te spelen. Het is liefde op het eerste gezicht. Hij priegelt eindeloos op de halve cello. De cello prefereert hij boven de piano, omdat deze het meest lijkt op de menselijke stem. En overigens ook omdat hij die twee notenbalken bij de piano maar lastig vindt... Hoewel hij voorbestemd lijkt te zijn voor het conservatorium, komen er andere interesses voorbij die Floris een andere weg doen inslaan. In het ouderlijk huis in Eindhoven, waar Elly’s conservatoriumtijdgenoot Eduard van Beinum af en toe komt logeren, vindt moeder Elly dat maar moeilijk te aanvaarden. Maar Floris is niet te vermurwen. Eerst is daar de sport die Floris grijpt, later de biologie (nieuwe dieren ontdekken in het Amazonegebied lijkt hem wel wat), maar een studie biologie strandt al gauw wegens verregaande kleurenblindheid. Ten slotte kiest hij voor de rechtenstudie. In de Van Breestraat in Amsterdam, waar hij tijdens zijn studie vanaf 1962 woont, speelt hij eindeloos cello. Oom Piet woont immers in de buurt en geeft hem les. In drie jaar leert hij waar anderen acht jaar over doen. Floris wordt lid van het Amsterdams Studenten Orkest en speelt in een aantal kamermuziekensembles. 62 G R O O T S T E S C H E N K I N G Met de vleugel en het vermogen van Willem Vogelaar (1931-1998) worden zes talentvolle musici geholpen.