Als jongetje van zeven heb ik, als ik mijn moeder moet geloven, tijdens een tv-uitzending van een live optreden van André Rieu geroepen: “Mama, dat wil ik ook.” - “Wat bedoel je?”, vroeg ze nog. Ik maakte hevig strijkende bewegingen over een denkbeeldige viool. Die viool werd niet lang daarna van echt hout. Ik werd wekelijks naar de muziekschool gebracht en studeerde thuis braaf mijn etudes. Vooruit, ik studeerde niet altijd braaf, want de viool piepte nog wel eens hoog in mijn oor. Ik ben eigenlijk nooit vrienden geworden met zo’n dunne E-snaar waar bij mij aldoor vals gekras uit voortkwam. Bij André Rieu niet, hij trok altijd volle zalen met zijn sprankelende, zuivere Stradivarius. Het voelde, geloof ik, alsof mijn kopstuk van toen, André, me een beetje bedroog. Vioolspelen was helemaal niet leuk. In het strijkorkest waarin ik destijds als jong violistje speelde, zag ik tegenover mij de cellisten zitten. Ik was buitengewoon jaloers op hun forse snaren, de ronkend lage klank, en hun stoel; cellisten mochten áltijd zitten, terwijl ik vaak staand moest spelen. Het duurde niet lang of ik ruilde mijn vioolmeester voor een cellojuf. Mijn viool wisselde ik in voor een gloednieuwe, brommende cello. En André Rieu zou nooit meer mijn kopstuk zijn. Nee, zelfs de walsen van Strauss verving ik door repertoire dat ik veel meer ging waarderen. Brahms of Sjostakovitsj bijvoorbeeld, het liefst met een grote rol voor cello. En de cello bleef, evenals de alsmaar groeiende liefde voor muziek. Ik ga nu met de trein naar celloles en studeer thuis braaf mijn etudes. Nu echt. En mijn kopstuk? Wel, eerlijk is eerlijk: zonder André was ik waarschijnlijk geen cello gaan spelen en werkte ik nu ook niet bij het NMF. Dus: bedankt, André! Mijn kopstuk heeft me bedrogen Violist André Rieu, begeleid door zijn orkest, spoorde Lennart (7) aan ook viool te spelen. 55 KOPSTUK VAN NMF-MEDEWERKER LENNART VAN DER SMAN