Mijn NMF

loginForm
 

Professioneel pionieren

dinsdag 28 mei 2019

Auteur: Marije Bosnak

Verpakt in krantenpapier of in een plastic zak, aangeboden door hun eigenaar aan de deur bij Theo en Noortje Olof. Zo vonden de eerste instrumenten hun weg naar wat later het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds (NMF) zou zijn. De administratie werd bijgehouden op zolder bij de familie Moerenhout. Ruim dertig jaar later heeft het NMF een instrumentencollectie met een verzekerde waarde van ruim € 35 miljoen en speelt het fonds een prominente rol in het Nederlandse muziekleven. Hoe vormde zich de basis van het huidige succes? Aan de hand van gesprekken met betrokkenen van het eerste uur tekent zich een beeld af. Een sympathiek en tegelijkertijd urgent doel, een ideaal samengaan van deskundige bestuursleden en maatschappelijk draagvlak. Een gouden combinatie.

Op audiëntie

Het begon allemaal begin jaren 80 bij de in 2018 overleden Pieter Moerenhout. De moeizame zoektocht naar een goede viool voor zijn dochter Saskia bracht hem op een idee. Zijn vrouw Gré vertelt: ‘Typisch Pieter, hij liep al een tijdje rond met een plan – ik wist van niks. En ineens: er moet geld komen; er moet een fonds komen, waardoor arme studenten of hun ouders een goed instrument kunnen kopen. Pieter wist niet hoe, maar dat het er kwam, was duidelijk. Als we niet konden slapen, had hij het daarover.’

In 2008 zette Pieter Moerenhout zijn ervaringen van de eerste jaren NMF op papier in ‘De dwaasheid gekroond’. Hij beschrijft hoe de uitwerking van zijn plan hem als leraar in een voor hem onbekende wereld bracht. Hij moest een nieuw netwerk opbouwen om een bestuur, comité van aanbeveling en een raad van advies te vormen. In 1987 werd het eerste bestuur opgericht met voorzitter violist Theo Olof; vicevoorzitter Jhr. Cyril van Lennep; secretaris Pieter Moerenhout; Christian Timm, adjunct-directeur van het Koninklijk Conservatorium; Louk van Haastrecht, oprichter van SIRE; Joop Hoogland, oud-directeur van Shell; en Jan Helderman, registeraccountant.

Jan Helderman vertelt dat het Prins Bernhardfonds bereid leek een startkapitaal te geven, onder voorwaarde dat er een professioneel bestuur zou komen met een degelijke penningmeester. ‘Die zou ik dan zijn. Met een afvaardiging, waaronder Theo Olof en Pieter Moerenhout gingen we op audiëntie – zo voelde het.’ Het bleek een vruchtbaar bezoek. Het nieuw op te richten fonds kreeg een lening van het Prins Bernhardfonds en de Algemene Loterij Nederland voor een eerste 4-jarenplan. Als er ieder jaar een ton bij zou komen uit eigen fondsenwerving, zou de lening uiteindelijk omgezet worden in een gift. In 1988 werden de eerste instrumenten aangeschaft en tegen een vergoeding van 1 procent van de verzekerde waarde in bruikleen gegeven aan veelbelovende jonge musici. Bestuurslid Christian Timm schrijft over 1988: ‘Het bestuur van het NMF kon terugzien op een stormachtig doch succesvol verlopen jaar en realiseerde zich daarbij terdege dat het echte werk nu pas begon.’

Onder de keukentafel

Oud-penningmeester Jan Helderman opende een rekening voor de 700.000 gulden van het Prins Bernhardfonds, en bij Gré en Pieter Moerenhout thuis in Bunnik werd een werkplek ingericht. Gré: ‘De zolder werd omgetoverd tot kantoor, met bijvoorbeeld een computer – waar wijzelf geen verstand van hadden. Ik had een kantoorachtergrond, dus ik schreef de briefjes. De belangrijkste taak was naamsbekendheid op te bouwen. Ik herinner me de mailing naar 1100 notarissen: twee werkstudenten, handgeschreven etiketten, stapeltjes enveloppen in de boekenkast, op de vleugel en in de vensterbanken. We ontvingen ook iedereen bij ons thuis: de kleine Janine Jansen met haar ouders, de familie Den Herder, Ingrid van Dingstee… Er is heel wat gegeten aan onze keukentafel en ik schonk talloze kopjes koffie en glaasjes wijn. Het was improviseren, kamperen.’

In 1989 vond een eerste concert van het NMF plaats in de Schönbergzaal van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Bestuursleden zochten actief en succesvol de media-aandacht. Jan Helderman: ‘Ons doel was sympathiek en helder: jonge musici voorzien van een goed instrument, noodzakelijk voor de ontplooiing van hun talent, in een markt waar mooie strijkinstrumenten steeds onbetaalbaarder werden.’ Jan Verheugt - bestuurslid van latere jaren, beschrijft de onschatbare waarde van voorzitter Theo Olof: ‘Hij had niet per se relaties met veel geld – musici hebben geen geld, maar hij appelleerde aan het sentiment van het brede publiek: iedereen deed het voor Theo!’ Het fonds begon naam te maken, de eerste donaties kwamen binnen en er werden instrumenten aangeboden en beschikbaar gesteld via legaten. Na twee jaar had het fonds de beschikking over 56 items (instrumenten en strijkstokken), waarvan vele zeer kostbaar.

‘Er was geen strategie in het verzamelen’, benadrukt Noortje Olof, ‘mensen gingen naar de zolder, op zoek naar hun oude viool en kwamen die dan bij ons afleveren. In het begin bewaarden we instrumenten onder de keukentafel. In die eerste lading zat ook een viool waar de koninklijke familie mee kwam, een instrument van oud-koningin Wilhelmina. Maar of die van enige waarde was, weet ik niet meer.’ Bij de familie Moerenhout ging een grote kluis twee trappen omhoog voor de eerste waardevolle instrumenten. Vioolbouwer Wim Bouwman is vanaf die tijd vele jaren betrokken geweest als een van de specialisten voor het beoordelen van de instrumenten.

Het land in

Pieter Moerenhout beschrijft ook in zijn artikel hoe de eerste aandacht in de pers leidde tot een stroom van goedbedoelde aanbiedingen van instrumenten, waarvan de meeste onbruikbaar bleken. ‘Ik heb wat zinloze kilometers afgelegd in die begintijd.’ Maar als Pieter het land in was geweest voor het NMF, was Gré altijd weer benieuwd naar zijn verhalen. Over een bezoek aan een oudere heer die hem verzekerde dat hij niet voor niets zou komen, schrijft hij: ‘De man stond op, rommelde in een hoek achter een monumentale kussenkast en liep met de vioolkist naar mijn stoel – over het hoogpolig tapijt een spoor van houtwormknaagsel achterlatend. Het bovenblad bleek doorzeefd met gangetjes en gaatjes, achterblad en hals waren deels weggevreten. Zo’n situatie deed beroep op mijn gevoel voor tact.’

Maar ook de eerste prachtige instrumenten kwamen binnen bereik. Zo schrijft Pieter Moerenhout over een 82-jarige dame en het overdragen van haar viool, een Camillo Camilli die zij al vanaf haar 17e in haar bezit had. ‘De vioolkist ligt open naast haar op de bank. Als het afscheid nadert, streelt ze de Camilli en zegt: "Dag liefje, het ga je goed".’ Een anekdote die Pieter Moerenhout vaker zal aanhalen om de relatie te beschrijven van een musicus met zijn of haar instrument.

De herfst van 1992 bracht voor de collectie het absolute hoogtepunt van die eerste jaren met het bruikleen van topinstrumenten van Hedwig en Max Rodriguez. Pieter Moerenhout: ‘Ik weet niet hoe de gevoelens te beschrijven die zich van mij meester maakten toen de instrumenten werden binnengebracht en uitgepakt. Ik kreeg de Gouden Eeuw van de Italiaanse vioolbouwkunst in handen.’ Drie violen, een cello en 16 strijkstokken – alles bij elkaar een huidige waarde vertegenwoordigend van bijna vijf miljoen euro.

De publieke betrokkenheid en de spontaniteit van schenkers tekenden het draagvlak voor het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds.

Bij de benzinepomp

Maar met de groei en het succes van het fonds nam het werk toe en voelden vooral Pieter en Gré Moerenhout het gevaar dat het NMF onder het eigen succes zou kunnen bezwijken. Het was tijd om van de vrijwilligersorganisatie een professioneel instituut te maken. Met behulp van een extra subsidie van het Prins Bernhardfonds werd in 1995 Jan Deiters benoemd tot eerste directeur. Die herinnert zich de wonderlijke situatie van de eerste maanden: ‘Er was geen echt kantoor, alleen een activiteit die zich afspeelde op de zolder van de familie Moerenhout. Wel sfeervol! En om half een riep Gré onderaan de trap: “Tijd om te lunchen!”’

Jan Deiters kreeg alle ruimte van het bestuur en ging voortvarend te werk om de fundraising verder te professionaliseren en medewerkers aan te trekken. Hij vond een nieuwe uitvalsbasis in een door Stadsherstel gereconstrueerd pand in de Sint Annenstraat in Amsterdam. Samen met bureaumedewerkster Rose-Marie Bleekemolen en Christian Timm als commissaris instrumentenbeheer vormde Jan Deiters de kern van het nieuwe kantoor van het NMF. Een van de hoogtepunten voor hem was het verwerven van de cello voor Quirine Viersen. ‘Quirine speelde al jaren op de Guarnerius van haar leraar Heinrich Schiff. Maar toen Schiff stopte met zijn carrière, had hij het kapitaal uit het instrument nodig. Quirine was als de dood dat ze het instrument kwijt zou raken. Het ging om een enorm bedrag. We hebben gevochten – fondsen aangeschreven en particulieren aangesproken met een groot stuk in De Telegraaf. In de kerstvakantie reed ik met mijn kinderen richting Zwitserland. Bij een benzinepomp stopten we zodat ik kon bellen met een bestuurslid over een verwachte bijdrage. Toen kwam het rond! Net binnen de deadline die Schiff ons had gesteld. Superspannend!’

Jan Deiters kijkt met veel plezier terug: ‘Het was echt pionieren in die tijd. Wonderlijk genoeg was het een permanente stroom van fantastische gebeurtenissen. We traden steeds meer naar buiten, we gaven fundraising dinners, we ontwikkelden een nieuwbouwprogramma met het VSB Fonds, we haalden grote donaties binnen en ook de belangstelling om kostbare instrumenten bij ons onder te brengen werd steeds groter. We werden echt een factor van belang in de muziekwereld.’

In een avonturenroman

Uit de herinneringen van de oud-bestuursleden klinkt bevlogenheid, en het bewustzijn dat iedereen in het gezelschap op zijn manier in een nieuwe wereld belandde; iedereen bracht zijn eigen deskundigheid en netwerk mee. Jan Helderman: ‘Dat was het leuke: al die disciplines aan tafel. Als het over instrumenten ging, luisterde ik met grote belangstelling. Theo Olof was een inspirerende voorzitter, hij kende de muziekwereld en de jonge studenten waar het om ging. Maar zodra de financiën aan de orde kwamen, was ik aan het woord!’ Jan Verheugt bracht als bestuurslid zijn liefde en kennis voor instrumenten mee. Lachend: ‘Het was een deftig gezelschap; ik bracht geen geld of relaties in en voelde me soms een buitenstaander. Maar zo gauw de instrumenten ter sprake kwamen, was ik er! En ook als jurist kon ik van betekenis zijn.’ Jan Deiters was ook jurist en had bij een bank gewerkt, maar wilde eigenlijk een baan in de non-profit wereld. ‘En toen kwam ik zomaar bij deze club terecht – heel bijzonder.’ Gré Moerenhout vertelt hoe spannend zij en haar man het vonden om zich vanuit de onderwijswereld in nieuwe kringen te bewegen: ‘Tot de koninklijke familie aan toe! Ineens hadden we fondsenwervingsdiners, Pieter kocht in die tijd een smoking, het voelde alsof we in een avonturenroman waren beland.’

Volgens Jan Helderman is het essentieel geweest voor het NMF dat alles vanaf het eerste uur zo professioneel mogelijk is aangepakt. ‘Het was wel pionieren op zolder, maar tegelijkertijd gebeurde dat transparant en door deskundigen. Met een grote raad van adviseurs waren we van meet af aan serieus in de selectie van instrumenten – we voegden niet per definitie alles toe aan de collectie. Ook procedures voor wie voor een instrument in aanmerking kwam, hebben we direct goed ingezet. Elke aanvraag moest goed gemotiveerd zijn, afspraken werden goed vastgelegd.’ Jan Deiters bevestigt: ‘We zorgden voor duidelijke en strenge regels die betrekking hadden op de contracten met musici en bruikleengevers, maar verder ontdekten we op de tast hoe we het fonds konden opbouwen.’

Het fundament was gelegd voor het huidige NMF als een onmisbaar instituut voor de klassieke muziek in Nederland. Door improviseren en ontdekken, vanuit deskundigheid en toewijding.

Pieter Moerenhout (links) ontvangt de Zilveren Anjer van de Regent van het Prins Bernhard Fonds (1993). Foto ANP

 

Met dank aan:
Gré Moerenhout - echtgenote van oprichter en bestuurslid Pieter Moerenhout
Noortje Olof - echtgenote van medeoprichter en voorzitter Theo Olof
Jan Helderman - penningmeester van 1987 tot 2006
Jan Verheugt - bestuurslid van 1994 tot 2018
Jan Deiters - directeur van 1994 tot 2000
Dries van de Beek - vicevoorzitter van 1999 tot 2006

Bronnen:
'Nationaal Muziekinstrumenten Fonds, 1988-2013. Christian Timm, Den Haag, 2012.
'De dwaasheid gekroond'. Pieter Moerenhout, Bunnik, 2008.

Meer interviews

za 28 apr 2018 {$caption}

“Het is een eer het instrument van Lucy van Dael te mogen bespelen”

Lees Meer
di 7 nov 2017

De nieuwe... Guarnerius?

Lees Meer

Bekijk alle interviews