Mijn NMF

loginForm
 

Informatie

Een viool, gebouwd door Johannes Theodorus Cuypers in Den Haag, 1768.

Details

  • Bouwplaats:Den Haag
  • Bouwjaar:1768
  • Lengte corpus:35,3
  • Breedte boven:16,5
  • Breedte midden:11,1
  • Breedte onder:20,1
  • Lengte mensuur:19
  • Afstand ogen f-gaten:4,6

Bouwer

Johannes Theodorus Cuypers

Over de jeugdjaren van Cuypers is niks bekend. Uit een gedateerd etiket blijkt dat Johannes Theodorus Cuypers in 1750 als vioolbouwer in Den Haag is gevestigd. Zijn vroegste instrumenten zijn al in een stijl gebouwd die totaal afwijkt van hetgeen de bouwers tot dan maakten. Omdat zijn bouwstijl nauw aansloot bij het werk van de Parijse bouwers uit die tijd werd er vroeger verondersteld dat hij daar het vak geleerd had. Zijn gehele leven bleef Cuypers in Den Haag gevestigd; op oudere leeftijd werd hij bijgestaan door zijn zonen Johannes Bernardus (1781-1840) en Johannes Franciscus (1766-1828). Hoewel Franciscus een periode in Amsterdam woonde, bleef hij ook voor zijn vader werken. De Cuypers-dynastie is buitengewoon productief geweest en heeft violen in alle denkbare formaten gemaakt evenals een groot aantal cello’s en een aantal altviolen. Het vroege werk van Johannes Theodorus Cuypers is elegant. Na 1780 verandert zijn stijl en is de vormgeving zwaarder, met brede bladranden en forsere welvingen: het model wat hij de rest van zijn leven trouw bleef. Bron: 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland
meer informatie over de bouwer en diens instrumenten.

Historie

Als het beheren van een unieke collectie muziekinstrumenten één van je doelstellingen is, ligt het voor de hand dat er een groot raakvlak bestaat met een museum dat een vergelijkbare doelstelling heeft. Het Haags Gemeentemuseum heeft in haar collectie ook een zeer bijzondere verzameling instrumenten, waaronder een aantal strijkinstrumenten van de belangrijkste oudhollandse bouwers. Maar het raakvlak met het NMF blijkt helemaal niet zo groot, want de strijkinstrumenten uit het museum worden al decennia niet meer tentoongesteld en slechts een enkel instrument heeft in al die jaren nog een keer mogen klinken. Wij van het NMF huiveren natuurlijk bij die gedachte, evenals elke musicus en vioolbouwer die weet hoe belangrijk het is dat een instrument bespeeld blijft, om de klankkwaliteiten te behouden. Maar de beheertaak van het museum is anders; daar is men vooral verantwoordelijk voor het behoud en het conserveren in de zo oorspronkelijk mogelijke staat. Die taak is lastig te verenigen met het laten bespelen van de instrumenten, laat staan het meegeven aan een musicus. Die taak is ook belangrijk en moet gerespecteerd worden, want door een aantal unieke instrumenten heel goed te beschermen tegen welke invloed van buitenaf dan ook, zullen er altijd exemplaren bewaard blijven voor het nageslacht. De vraag die wij ons echter stelden, is of het te rechtvaardigen viel dat ook de minder unieke exemplaren het daglicht nooit meer zouden zien. Op initiatief van het NMF zijn er begin 2011 gesprekken gevoerd. Wethouder cultuur van Den Haag, Marjolein de Jong, maakte zich daarbij sterk voor het onderzoeken van de mogelijkheid om toch een klein aantal van de instrumenten nieuw leven in te blazen door ze uit de kasten te halen en te laten gebruiken waarvoor ze ooit zijn gemaakt, namelijk om te klinken in de handen van een musicus. Het NMF heeft in 2012 het bestuur van het Gemeentemuseum kunnen overtuigen om de zorg van drie bijzondere instrumenten over te mogen nemen. Het gaat om twee violen van Johannes Theodorus Cuypers (Den Haag, 1768 en 1786) en een altviool van Jean Baptiste Levèbvre (Amsterdam 1762). Met deze bruikleen van het Gemeentemuseum aan het NMF is een eerste stap gezet in een samenwerking met het Gemeentemuseum die, als het aan ons ligt, in de toekomst zal worden uitgebreid. In 2013 is de viool in bruikleen gegeven aan Wiesje Nuiver.

Bespeler