Mijn NMF

loginForm
 

Informatie

Een cellostrijkstok, gebouwd door Eugene Eberle in Rotterdam begin 20e eeuw. 76 gram. Brandmerk ‘eug. eberle rotterdam’.

Details

  • Bouwplaats:Rotterdam
  • Bouwjaar:20e eeuw

Bouwer

Eugène Eberle

Loopbaan

Eugène was een van de drie zonen van Oscar Eberle, cellist en hoofddocent aan het Rotterdams Conservatorium. Vader Oscar was al op zijn 17e cellist in het Concertgebouw orkest van Willem Mengelberg en speelde later in orkesten in Dresden en in Rotterdam. Ook was hij de oprichter van het Rotterdams trio. Oscar trouwde na zijn eerste huwelijk met de violiste Fieta Dermout. In 1885 werd uit dit muzikale tweetal zoon Eugène Eberle geboren.


Als jongen van 10 jaar begon Eugène aan een loopbaan als vioolbouwer. Hij werd leerling bij Karoly Ferenczy Tomasowski in Rotterdam. Om zijn opleiding te voltooien reisde kort hij langs enkele Duitse bouwers. Deze reis eindigde bij de man van wie hij meer zou leren dan van de anderen: Otto Möckel. Otto Möckel was een van de belangrijkste Berlijnse bouwers en kenner van oude meesterviolen. In zijn atelier werkte en leerde hij bijna drie jaar. Toen hij weer terug kwam in Nederland werkte hij kort bij Karel Van der Meer in Amsterdam. Daar trof hij een boeiende, internationale groep vioolbouwers en enkele goede strijkstokkenmakers. Van hen leerde hij het vervaardigen van cellostokken, waarvan hij later een aantal goede zou maken.


Na al die jaren rondreizen wilde hij zich toch graag zelfstandig vestigen. In 1904 vertrok hij naar zijn geboortestad Rotterdam. Daar opende hij eind dat jaar zijn eigen atelier en winkel. In 1915 kreeg hij een zoon, Eugène. Ook zoon Eugène werd vioolbouwer en kreeg een belangrijk deel van zijn opleiding bij dezelfde bouwer van wie zijn vader zoveel geleerd had: Otto Möckel in Berlijn. In 1936 stierf Eugène I in de stad waar hij ruim dertig jaar gewerkt had. Na de dood van zijn vader nam zoon Eugène II het atelier over.


Werk en invloed

De liefde van zijn vader voor de cello gold ook voor Eugène I. Hij bouwde veel goede cello’s die bekend staan om hun mooie klank. Zijn moeder was een violiste met kleine handen geweest. Opmerkelijk is dat Eugene naast kopieën van grote meesters, violen van een eigen model maakte die in het bijzonder geschikt waren voor spelers met kleine handen. Een ander opmerkelijk instrument waarvan hij er na 1932 enkele bouwde, was een viool met de schouders van een viola d’amore. Gouden medailles kreeg hij voor zijn twee kwartetten die hij had ingestuurd naar de tentoonstellingen in Rotterdam en in Milaan. Hij gebruikte het grootste deel van zijn loopbaan een goudgele lak.


Bronnen

Henri Viotta, Lexicon der Toonkunst, deel I, 1881 Eduard A. Melchior: Woordenboek der toonkunst; 1890.
Onder redactie van Giskes J. En Hooijen E., (2000), 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Zutphen.
Vannes R., (1999), Dictionnaire universel des luthiers, Spa
J.H. Letzer: Muzikaal Nederland 1850-1910. Bio-bibliographisch woordenboek van Nederlandsche toonkunstenaars en toonkunstenaressen - Utrecht: 1913.
Geïllustreerd muzieklexicon, onder redactie van Mr. G. Keller en Philip Kruseman, 1932. Den Haag.
J. Robijns en Miep Zijlstra, Algemene Muziek Encyclopedie deel 3,1980 Amsterdam
Tarisio; Cozio Archive,geraadpleegd in 2019
Amati; Makers’ archive, geraadpleegd in 2019


meer informatie over de bouwer en diens instrumenten.

Historie

Elk instrument (of stok) heeft zijn eigen geschiedenis. De naam van de bouwer en/of de plaats en het jaar waarin het gemaakt is, zeggen veel over de identiteit van een instrument. Maar juist ook wat er daarna mee is gebeurd spreekt tot de verbeelding. Het NMF wil zoveel mogelijk informatie verzamelen en op deze plaats met u delen. Dat is een grote klus en het zal dan ook tijd in beslag nemen voordat ieder instrument is gedocumenteerd. Ook over dit specifieke instrument hopen wij u meer te kunnen vertellen!

Bespeler