Mijn NMF

loginForm
 

Informatie

Een altviool, gebouwd door Max Möller I in Amsterdam, 1946. Opus 191. Achterbladlengte 41,9 cm.

Details

  • Bouwplaats:Amsterdam
  • Bouwjaar:1946
  • Lengte corpus:41,9

Bouwer

Paul Max Möller

Loopbaan

Bij de grote violisten, cellisten, verzamelaars en veilinghuizen in het Europa van de 20e eeuw was ‘Möller uit Amsterdam’ een begrip. Het atelier stond niet alleen bekend om de goede instrumenten die er vandaan kwamen, maar ook om hun restauraties van historische instrumenten. Musici die op zoek waren naar een bijzonder instrument vonden dat vaak bij Möller. Of hij vond er een voor hen. Paul Max Möller was de eerste van drie generaties vioolbouwers en kenners van oude strijkinstrumenten waarvan het atelier zou uitgroeien tot een van de meest gerespecteerde adressen in de vioolbouwwereld.

Tot op zijn trouwakte aan toe stond vaak onjuist vermeld dat hij uit het welvarende stadje Markneukirchen kwam, maar feitelijk werd hij in 1875 geboren in het straatarme dorp Adorf bìj Markneukirchen. De 6 kilometer tussen de twee plaatsen legde hij iedere dag weer lopend af om in de leer te kunnen gaan bij de vioolbouwer Robert Nürnberger in die stad. Tegelijkertijd volgde hij de Vakschool voor vioolbouw. Nadat hij die had afgesloten met zijn meesterproef kreeg hij een baan bij Heinrich Th. Heberlein. Heberlein stond bekend als een meester in het gebruik van verschillende lakken en technieken die de kopieën van zijn Stradivarius modellen een prachtig verweerd uiterlijk gaven. Het hout dat hij gebruikte was onverdeeld van topkwaliteit. Voor veel van zijn instrumenten ontving hij hoge onderscheidingen. Ook werd Heberlein algemeen gezien als een groot kenner op het gebied van akoestiek in strijkinstrumenten. Van deze vioolbouwer werd Paul Max de assistent.

Begin 1899 vertrok Paul Max Möller naar Louis Lowendahl in Leipzig. Daar trof hij iets heel anders aan dan waarop hij gehoopt had; geen vioolbouw-atelier in de traditionele zin van het woord, maar een werkplaats waar op bijna industriële manier instrumenten gemaakt werden. Hij hield het er al snel voor gezien en zocht een interessanter atelier. Dat vond hij bij Karel van der Meer in Amsterdam; bij hem werkte hij de laatste acht maanden van dat jaar.

Eind 1899 besloot hij om bij Max Möckel in St. Petersburg te gaan werken. Hoewel Max Möckel daar nog maar kort zat, stond hij er al snel bekend als een goede bouwer en reparateur. Door zijn kennis en stimulerende manier van doen had hij een grote invloed op de medewerkers in zijn eigen atelier en op andere vioolbouwers daarbuiten. In de periode dat Paul Max bij hem werkte lukte het Max Möckel om samen met de chemicus Golonin een lak te ontwikkelen die veel leek op de oude Italiaanse vioollak.

Een serieuze vioolbouw traditie hadden de Russen niet. Kennis van buitenlandse bouwers was daarom hard nodig. In Moskou zaten veel Franse bouwers en in St. Petersburg domineerden er sinds 1876 de Duitse vioolbouwers. Die woonden en werkten er dicht bij elkaar in de buurt. De Duitse bouwers waren vrijwel allemaal opgeleid in Markneukirchen, net als Paul Max Möller. Zowel binnen als buiten de ateliers van St. Petersburg troffen de Duitse bouwers elkaar en wisselden kennis uit.

Het St Petersburg waar Paul Max in terecht kwam, kende een bloeiend muziekleven. Veel mensen bespeelden een instrument en er werden talloze uitvoeringen gegeven, op hoogtijdagen wel 30 per avond. Van overal uit Europa kwamen violisten om aan het conservatorium van St Petersburg te studeren. In het Rimsky-Korsakov conservatorium doceerde van 1868 tot 1917 de iconische vioolpedagoog Leopold Auer bij wie grote violisten als Jascha Heifetz, Nathan Milstein en Mischa Elman studeerden.

Maar er was nog meer dat St Petersburg zo boeiend maakte; de aristocratie van St Petersburg bezat vele kostbare Franse en Italiaanse instrumenten. Zo hadden de nakomelingen van generaal Lvov niet alleen een muziekbibliotheek van formidabele afmetingen van hem geërfd, maar ook een grote collectie violen en cello’s van onder andere Amati, Guarneri, Maggini, Vuillaume en Stradivarius. Bouwers die in de voorgaande jaren in St Petersburg zaten, zoals Moritz Paulus, Anton Jaudt en Ludwig Otto waren overleden. Voor reparaties en onderhoud aan deze oude instrumenten waren de eigenaren nu in belangrijke mate aangewezen op nieuwkomers zoals Max Möckel. In het atelier heeft Paul Max Möller deze instrumenten ongetwijfeld in zijn handen gehad en van nabij kunnen bestuderen; wat zonder meer heeft bijgedragen aan zijn kennis over Italiaanse meesterinstrumenten. Alles dat hij had geleerd in deze levendige en stimulerende omgeving zou Paul Max Möller vier jaar later meenemen naar Amsterdam.

In 1904 keerde hij terug naar Nederland om opnieuw bij Karel van der Meer in Amsterdam aan de slag te gaan. Karel van der Meer was een voormalig violist van het Concertgebouw Orkest en goed ingevoerd in de internationale wereld van de muziek. Die loopbaan verruilde hij in 1892 voor die van vioolbouwer. Na zijn opleiding werd hij een gewaardeerde bouwer met een eigen atelier dat vrijwel naast het concertgebouw zat. Hij had niet alleen een goed zakelijk gevoel, maar ontwikkelde zich tot iemand die zijn steeds groter wordend atelier op bijzonder stimulerende wijze leidde. Daarmee wist hij getalenteerde vioolbouwers en strijkstokkenmakers uit het buitenland naar Amsterdam te halen, zoals Friedrich Ernst Schmidt, Joseph Verdal sr, Johan Stüber en Eugene Eberle sr, Kraus en August Toussaint. Gezien de grote diversiteit van nieuwe instrumenten en strijkstokken die zijn atelier verlieten moet Karel van der Meer zijn medewerkers een grote mate van vrijheid hebben toegekend. In dit voor Nederland zo belangrijke atelier werkte Paul Max Möller zich op tot chef d’atelier.

In 1908 trouwde Paul Max met Christina Henrietta Weerts met wie hij 1913 een eigen atelier begon op de Leidse Gracht 63. Na een verhuizing naar de P. C. Hooftstraat 34 zou hij zich in 1925 definitief vestigen waar ook de volgende twee generaties Möller zouden werken; de Willemsparkweg 15. Paul Max bouwde niet alleen voortreffelijke instrumenten, maar hij werd ook gezien als een groot kenner van oude instrumenten.


Werk en invloed

Tussen 1913 en 1918 bouwde Paul Max voornamelijk nieuwe instrumenten. Die maakte hij zorgvuldig en naar voorbeeld van de grote Italiaanse meesters. Uit die tijd zijn ook zijn viola da gamba’s en viola d’amore’s die een opvallend fijn vrouwenkopje of dat van een engel hebben. De lak die hij voor zijn instrumenten gebruikte was nog gebaseerd op die hij bij Möckel had leren maken. Later zou hij zelf een lak ontwikkelen die hij op een bijzondere manier opbracht. Deze lak was vrij dik, donkerrood en neigde tot cracqueleren, maar was prachtig diep van kleur.

Na 1918 legde hij zich toe op het verzamelen van oude instrumenten en breidde hij zijn kennis daar over uit. Daar had hij op zijn reizen door Europa al een aantal van meegebracht. Samen met de instrumenten die hij op zijn reizen tussen 1930 en 1935 zou verzamelen werd het een van de meest interessante collecties in Nederland.

Tussen 1925 en 1929 concentreerde hij zich opnieuw op het maken van nieuwe instrumenten. De handel in oude violen kwam toen op de tweede plaats.

Ook na 1935 kwam voor Paul Max het maken van nieuwe instrumenten weer op de eerste plaats. In deze laatste periode maakte hij, naast zo’n 250 violen, cello’s, enkele viola da gamba’s en viola d’amore’s, zijn bekende groot-model altviolen die erg geliefd waren. Vanwege het formaat hadden de alten een zo diepe klank dat die naar een cello neigde. Er gaat een mooi verhaal dat niet weerlegd, maar ook niet bevestigd kan worden over de achterbladen van een aantal grote altviolen die hij direct na de tweede wereldoorlog maakte. Dat hout zou afkomstig zijn van de eeuwenoude esdoorn die in de tuin van het Rijksmuseum had gestaan. Door de oorlog was er schaarste aan van alles en de gemeente besloot om het hout van deze boom aan Paul Max Möller te schenken. Zijn instrumenten waren geliefd bij leden van het concertgebouw orkest; in de strijkersgroep werd na de oorlog op zeven alten, enkele violen en een cello van zijn hand gespeeld, later breidde dat aantal alten zich verder uit tot negen. Hoewel de klank van de groot-formaat altviolen van Paul Max Möller uitzonderlijk mooi was, verdwenen zij op den duur toch van het podium. Deze instrumenten werden door veel altviolisten als te lastig te bespelen ervaren; niet iedereen had voldoende lange armen en grote handen.

In het atelier van Paul Max Möller werd ook een grote hoeveelheid strijkstokken gemaakt. Vóór 1945 waren het veelal de Duitse modellen zoals die van Paul Weidhaas, na de oorlog kwamen op Franse leest geschoeide strijkstokken veel voor. Bekend zijn de strijkstokken met een afgeronde slof zonder oog. Hij stempelde deze strijkstokken met ‘M. Móller’ of ‘M Möller Amsterdam’. De strijkstokken uit zijn atelier die gestempeld waren met ‘Meunier’ of ‘Meunier á Paris’ hadden meestal wel een zgn. ‘Parijs oog’.

Over Paul Max Möller schreef Enel in Parijs; “..sinds Barbé, Marchant en Humbert, heb ik nog nooit zo’n zekere, soepele en elegante hand van bouwen gezien, evenmin als zo’n hoge opvatting van dienstbaarheid aan de kunst van de vioolbouw.”

Invloed

Paul Max Möller legde de basis voor een atelier dat zou uitgroeien tot een van de meest vooraanstaande voor vioolbouw en expertise in Europa. In 1935 kwam zijn zoon Guillaume Max bij hem werken. Zijn rijke kennis en ervaring gingen over van vader op zoon. Met hem schreef hij in 1939 het boek ‘Italiaanse Vioolbouw’. Samen met Karel van der Meer heeft Paul Max voor de opleving van de vioolbouw in Nederland gezorgd.

Het gezag van de Möllers zou zo groot blijken dat door de jaren heen hun certificaten van echtheid ten behoeve van minder oprechte bedoelingen veelvuldig nagemaakt zijn. Het archief van de Möllers bevat tientallen van deze vervalste certificaten en dat breidt nog steeds uit.

Bij hem wekten onder anderen Erhard Uebel, Jan Santman, en Karl Rutz en de strijkstokkenmakers Jean-Claude Ouchard, G. Waehneldt, Robert Penzel en kort Daniel ter Berg.


Bronnen

Möller M, 1955, The Violin-makers of the Low Countries, by Max Möller, Amsterdam

Lim A. , Z.j., Die Entwicklung und Etablierung einer musikalischer Kultur in Sankt Petersburg, Berlin

Dilworht J., 2012, The Brompton book of violin and bowmakers, London.

Onder redactie van Giskes J. En Hooijen E., 2000, 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Zutphen.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa

Henley W. , 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications

corilon.com; Noteworthy families of Markneukirchen violin makers. Bezocht; 2019

Onder redactie van de KNTV, 1987, Vioolbouw in Nederland, zp.

Parool, 1989, Hanneloes Pen; 117 jaar vioolbouw en einde van drie generaties Möller, interview met Cornelie Möller.

meer informatie over de bouwer en diens instrumenten.

Historie

Het NMF kreeg deze bijzondere altviool in 1998 in bruikleen van de nazaten van -de binnen (alt)vioolkringen zeer bekende en gewaardeerde- Louis Metz. Metz (1910 – 1978) was violist, altviolist, muziekpedagoog en schrijver van diverse boeken. Hij werd opgeleid door vioolpedagoog Oskar Back. Van 1945 tot 1975 was hij als altviolist verbonden aan het Concertgebouworkest. De Möller-alt, die in 1946 gebrouwd werd, moet in die jaren in het KCO geklonken hebben. Metz was verder lid van het Nieuw Hollands Kwartet en als docent was hij verbonden aan het Muzieklyceum. Tijdens WOII moets hij onderduiken. Hij was auteur van een door talloze docenten gebruikte viool- en altvioolmethode. Daarnaast schreef hij de boeken 'Orkest onder de loupe', 'Over dirigenten, dirigeren en orkesten', 'Strijkinstrumenten vroeger en nu' en 'Het Concertgebouworkest in beeld'. Hij was gehuwd met pianiste Marianne Jesserim de Oliveira, met wie hij ook concerteerde. Vanwege zijn boek Orkest onder de loupe had hij de bijnaam Loepiemetz. In 1998 wordt Rogier van der Tak de eerste bruiklener van de Möller-alt. In 2009 gaat hij naar Arben Ademi en sinds 2013 is Hessel Moeselaar de gelukkige bespeler.

Bespeler